De Hoge Raad oordeelt dat de vrijstelling voor overdrachtsbelasting bij bedrijfsopvolging niet geldt als de overdracht via bv’s loopt. De zogenoemde doorkijkarresten maken dit niet anders, omdat zij niet zien op de persoon van de verkrijger.
Een bv verwerft op 13 juni 2019 alle aandelen in een andere bv die hotelpanden bezit en daarmee kwalificeert als onroerendezaaklichaam. De structuur is opgezet door een vader en zijn twee zonen. De vader hield aanvankelijk middellijk alle aandelen in de hotel-bv. De zonen houden via hun eigen bv’s ieder 45% van de certificaten in de verkrijgende bv. Op dezelfde dag verschuiven certificaten en aandelen, waardoor de vader zijn belang beëindigt en de zonen ieder indirect 50% verkrijgen. De bv claimt de vrijstelling van overdrachtsbelasting voor bedrijfsopvolging tussen ouder en kinderen, maar de inspecteur legt een naheffingsaanslag op. In geschil is of de vrijstelling van toepassing is.
Vrijstelling alleen voor natuurlijke personen
De Hoge Raad stelt dat de vrijstelling van artikel 15 lid 1 letter b Wet BRV alleen geldt bij overdrachten tussen natuurlijke personen, zoals een ondernemer en diens kinderen. De wetgever heeft deze regeling bedoeld om bedrijfsopvolging binnen families tijdens leven te faciliteren. In deze zaak is echter sprake van een verkrijging door een bv en niet door de zonen zelf. Ook de vervreemding vindt plaats via een bv van de vader. Daarmee is niet voldaan aan de wettelijke voorwaarden voor toepassing van de vrijstelling.
Doorkijkarresten bieden geen uitkomst
Volgens de Hoge Raad zien de doorkijkarresten uitsluitend op het object van de verkrijging en niet op de hoedanigheid van de betrokken partijen. Deze arresten voorkomen dat een vrijstelling verloren gaat doordat vastgoed indirect via aandelen wordt verkregen. Zij rechtvaardigen echter niet dat rechtspersonen fiscaal worden genegeerd bij de beoordeling wie verkrijger of vervreemder is. Omdat ook bij een rechtstreekse verkrijging van de panden door de bv geen vrijstelling zou gelden, kan de vrijstelling hier evenmin worden toegepast. Het cassatieberoep is ongegrond.
Wet: art. 15 lid 1 letter b Wet BRV en art. 4 Wet BRV
Bron: Hoge Raad, 10-04-2026, ECLI:NL:HR:2026:568, 25/00045 | NDFR





Geef een reactie