Rechtbank Gelderland oordeelt dat een bv geen herinvesteringsreserve mag vormen voor de boekwinst op een verkocht bedrijfspand. De bv maakt namelijk niet aannemelijk dat op de balansdatum een voldoende concreet herinvesteringsvoornemen bestaat.
Een bv verkoopt in 2019 een bedrijfspand voor € 1.050.000. Het pand bestaat uit een autoshowroom met werkplaats en is verhuurd aan een vennootschap die indirect volledig in handen is van een zoon van de bestuurder en enig aandeelhouder. De fiscale boekwaarde bedraagt € 488.971, zodat een boekwinst ontstaat. In de aangifte vpb 2019 voegt de bv € 546.029 toe aan een herinvesteringsreserve. Volgens de bv bestaat het voornemen om de opbrengst te herinvesteren in aan te kopen of te ontwikkelen onroerend goed. De inspecteur accepteert die dotatie niet en handhaaft de aanslag vpb 2019.
Geen objectief steunbewijs
De rechtbank stelt voorop dat voor het vormen van een herinvesteringsreserve niet alleen een interne bedoeling nodig is, maar ook naar buiten toe blijkende gedragingen waaruit die wil blijkt. De bv verwijst naar notulen van een directievergadering van 6 juni 2019, verklaringen over bezichtigde panden, een verklaring van een adviseur en een latere opdrachtbevestiging van een makelaar. Dat is onvoldoende. De notulen leggen alleen de wil vast, maar worden niet ondersteund door objectieve gegevens. Ook blijft onduidelijk welke panden namens de bv zijn bekeken en met welk doel. Daar komt bij dat sommige genoemde bezichtigingen al in 2017 plaatsvinden, dus nog vóór de verkoop van het pand in 2019. Daarmee zeggen die stukken te weinig over de situatie op de balansdatum.
Verklaring makelaar overtuigt niet
Ook de latere verklaring van de makelaar helpt de bv niet. De rechtbank vindt die verklaring niet geloofwaardig, mede omdat de bv eerder juist heeft verklaard dat de bestuurder zelf zonder makelaar panden bezocht. Pas nadat de adviseur in 2023 intern opmerkt dat een notitie van een makelaar goed van pas zou komen, komt een opdrachtbevestiging van een makelaar in beeld. De rechtbank vindt dat te mager om alsnog een concreet herinvesteringsvoornemen ultimo 2019 aan te nemen. De inspecteur heeft de dotatie aan de herinvesteringsreserve daarom terecht geweigerd.
Wet: art. 8 Wet Vpb 1969 en art. 3.54 Wet IB 2001
Bron: Rechtbank Gelderland, 01-04-2026, ECLI:NL:RBGEL:2026:2506, ARN 24/6511 | NDFR





Geef een reactie