Rechtbank Zeeland-West-Brabant oordeelt dat fiscale partners hun verdeling van gemeenschappelijke inkomensbestanddelen niet meer kunnen wijzigen nadat beide aanslagen onherroepelijk vaststaan. Box 3 wordt wel verlaagd, omdat een vordering ten onrechte is meegenomen en het werkelijke rendement lager is.
Een man en zijn echtgenote zijn in 2021 fiscale partners. De vrouw verblijft dat jaar in een verzorgingstehuis. In hun aangiften ib/pvv 2021 verdelen zij de inkomsten uit eigen woning en de box 3-grondslag. De definitieve aanslagen worden in oktober 2022 overeenkomstig die aangiften opgelegd. Nadat het CAK op 13 januari 2023 de eigen bijdrage vaststelt, dienen zij herziene aangiften in. Daarin willen zij alle gemeenschappelijke inkomensbestanddelen aan de man toerekenen. De inspecteur wijst dit af. In geschil is of herverdeling nog mogelijk is en of box 3 te hoog is vastgesteld.
Werkelijk rendement verlaagt box 3
De rechtbank verlaagt het belastbaar inkomen uit sparen en beleggen. Een vordering van € 45.000 is ten onrechte als bezitting opgenomen. Ook staat vast dat het werkelijke rendement € 28 bedraagt en lager is dan het forfaitaire rendement. Op basis van de oorspronkelijke verdeling komt box 3 uit op € 13 voor de man en € 15 voor de vrouw.
Verdeling blijft in stand
Herverdeling is niet meer mogelijk. Volgens art. 2.17 Wet IB 2001 kunnen fiscale partners hun keuze alleen wijzigen zolang beide aanslagen nog niet onherroepelijk vaststaan. Dat was hier op 29 november 2022 en 1 december 2022 al het geval. Een verzoek om ambtshalve vermindering opent die mogelijkheid niet opnieuw. Dat het belang bij een andere verdeling pas na de CAK-brief ontstaat, verandert dit niet. De beroepen zijn gegrond, maar de afwijzing van de herverdeling blijft in stand.
Wet: art. 2.17 en art. 5.2 Wet IB 2001
Bron: Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 20-04-2026, ECLI:NL:RBZWB:2026:3229, 24/7609 en 24/7610 | NDFR





Geef een reactie