Hof Amsterdam oordeelt dat de woningwaardegrens bij de startersvrijstelling niet in strijd is met het gelijkheidsbeginsel. Ook is geen sprake van strijd met het recht op ongestoord genot van eigendom.
Een koper koopt samen met een ander in 2022 een woning voor € 535.000. Bij de levering op 12 augustus 2022 voldoen zij samen € 10.700 aan overdrachtsbelasting, namelijk 2% van de koopsom. De koper maakt bezwaar tegen de voldoening op aangifte, omdat de startersvrijstelling niet is toegepast. Niet in geschil is dat hij voldoet aan de leeftijdsvoorwaarde, de eis dat hij de vrijstelling niet eerder heeft gebruikt en de hoofdverblijfseis. De woningwaarde ligt echter boven de toen geldende grens van € 400.000. De koper stelt dat deze harde grens leidt tot ongelijke behandeling van kopers net boven en net onder de grens. In geschil is of de woningwaardegrens in strijd is met het gelijkheidsbeginsel of met het recht op ongestoord genot van eigendom.
Woningwaardegrens is gerechtvaardigd
Het hof volgt het oordeel van de rechtbank. De wetgever heeft op fiscaal gebied een ruime beoordelingsvrijheid. De startersvrijstelling is bedoeld om starters op de koopwoningmarkt te helpen die volgens de wetgever echt een steuntje in de rug nodig hebben. De keuze voor een woningwaardegrens sluit daarbij aan. Daarmee maakt de wetgever onderscheid tussen minder vermogende en meer vermogende kopers. Dat de grens hard uitwerkt voor kopers van woningen net boven de grens, betekent nog niet dat de regeling evident onredelijk is. Ook budgettaire overwegingen maken de keuze niet ongerechtvaardigd.
Geen vergelijking met box 3-arrest
De koper beroept zich op het kerstarrest over box 3 en stelt dat een voetvrijstelling eerlijker zou zijn dan een drempelvrijstelling. Het hof wijst die vergelijking af. Bij box 3 ging het om een forfaitair stelsel dat de werkelijkheid moest benaderen. De startersvrijstelling heeft juist als doel een specifieke groep kopers af te bakenen. De wetgever heeft een voetvrijstelling besproken, maar bewust verworpen omdat dan ook vermogende starters zouden profiteren. De grens is bovendien niet willekeurig vastgesteld, maar gebaseerd op de gemiddelde landelijke woningwaarde en wordt aangepast aan de woningmarkt. Het hof oordeelt daarom dat de startersvrijstelling met woningwaardegrens niet in strijd is met internationale verdragsrechten. De heffing van overdrachtsbelasting blijft in stand.
Wet: art. 15 lid 1 onderdeel p WBR
Bron: Gerechtshof Amsterdam, 24-03-2026, ECLI:NL:GHAMS:2026:1294, 25/421 | NDFR





Geef een reactie