Hof ’s-Hertogenbosch oordeelt dat een vrouw geen recht heeft op het 2%-tarief voor de overdrachtsbelasting. Bij levering van de eerste woning had zij al een tweede woning gekocht, waardoor de intentie ontbrak om de eerste woning anders dan tijdelijk als hoofdverblijf te gebruiken.
Een vrouw en haar partner kopen op 31 januari 2021 een woning voor € 315.000. Op 28 juni 2021 tekenen zij de koopovereenkomst voor een tweede woning die beter aan hun wensen voldoet. De eerste woning wordt op 1 juli 2021 geleverd. Daarbij verklaart de vrouw dat zij de woning anders dan tijdelijk als hoofdverblijf gaat gebruiken, zodat 2% overdrachtsbelasting wordt voldaan. Al op 31 juli 2021 zetten zij de eerste woning te koop. Zij verkopen deze op 25 augustus 2021 voor € 365.000 en verhuizen eind oktober 2021 naar de tweede woning. In geschil is of de inspecteur terecht naheft naar het tarief van 8%.
Intentie ontbreekt bij verkrijging
Het hof stelt dat voor de overdrachtsbelasting het moment van levering beslissend is. Op dat moment hadden de vrouw en haar partner de tweede woning al gekocht. Daardoor maakt de vrouw niet aannemelijk dat zij de eerste woning nog anders dan tijdelijk als hoofdverblijf wilde gebruiken. Dat de tweede woning nog afhankelijk was van financiering en een bestemmingswijziging, maakt dit niet anders.
Ook is geen sprake van onvoorziene omstandigheden. Het vinden van een betere woning en de wens om dichter bij familie en werk te wonen, zijn volgens het hof geen ingrijpende externe gebeurtenissen. De naheffingsaanslag overdrachtsbelasting en de belastingrentebeschikking blijven daarom in stand.
Wet: art. 14 en art. 15a Wbr
Bron: Gerechtshof ‘s-Hertogenbosch, 06-05-2026, ECLI:NL:GHSHE:2026:1164, 24/1886 | NDFR





Geef een reactie