De Kennisgroep onroerende zaken en de Kennisgroep successiewet hebben de vraag beantwoord of de verlaging van de WOZ-waarde met € 20.000 ook van toepassing is bij de waardering van afzonderlijk verhuurde woningen die onderdeel uitmaken van een onroerende zaak die kadastraal of in appartementsrechten kan worden gesplitst.
Een belastingplichtige heeft een onroerende zaak die uit afzonderlijk verhuurde woningen bestaat. Voor de woningen geldt het volgende:
- volgens hun indeling zijn de woningen bestemd om als een afzonderlijk geheel te worden gebruikt. Op grond van artikel 16, onderdeel c, van de Wet WOZ worden de woningen voor de toepassing van die wet als zelfstandige onroerende zaken aangemerkt. Op basis hiervan is voor elk van de woningen een afzonderlijke WOZ-waarde vastgesteld;
- het gebouw is niet betrokken in een splitsing, maar de belastingplichtige kan de onroerende zaak wel splitsen;
- de verhuur van de woningen valt onder de huurbescherming;
- de verhuur is voor onbepaalde tijd; en
- er is geen sprake van gelieerde partijen die een zodanige huurprijs zijn overeengekomen dat deze tussen willekeurige derden niet zou zijn overeengekomen.
De woningen vallen voor de belastingplichtige voor de inkomstenbelasting in box 3 en worden in zijn testament gelegateerd aan één van zijn kinderen, die niet de huurder is.
Vraag
Is de vermindering van € 20.000 als bedoeld in artikel 17a, vierde lid, van het Uitvoeringsbesluit inkomstenbelasting 2001 en artikel 10a, vierde lid, van het Uitvoeringsbesluit Successiewet 1956 ook van toepassing op een woning die onderdeel uitmaakt van een gebouw (of een groep van gebouwen) dat niet is gesplitst, maar waarvoor splitsing wel mogelijk is?
Antwoord
Ja. Bij de beoordeling of de woningen niet als afzonderlijke zaak kunnen worden vervreemd in de zin van artikel 17a, vierde lid, UBIB 2001 en artikel 10a, vierde lid, UBSW 1956 is niet van belang of de woningen kunnen worden gesplitst, maar of de woningen zijn gesplitst.





Geef een reactie