Hof Arnhem-Leeuwarden oordeelt dat een erfgenaam door haar economische belang in onverdeelde aandelen een aanmerkelijk belang heeft. Dat de aandelen niet op haar naam staan en tot een gemeenschap van vier erfgenamen behoren, maakt dit niet anders.
Na het overlijden van haar moeder in 2006 erft een vrouw samen met haar drie broers en zussen onder meer twaalf aandelen in een vennootschap. Iedere erfgenaam is voor een vierde deel gerechtigd tot de nalatenschap. Door een ruzie blijven de twaalf aandelen onverdeeld. In 2020 verkoopt en levert de vrouw haar onverdeelde aandeel in deze aandelen aan haar broer voor € 90.000. In haar aangifte IB/PVV 2020 geeft zij hiervoor € 4.532 belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang aan. De inspecteur stelt dit inkomen vast op € 39.311. In hoger beroep stellen haar erfgenamen dat de vrouw nooit een aanmerkelijk belang heeft gehad. Volgens hen is in 2020 geen sprake van een verkoop van aandelen, maar van de afwikkeling van een erfrechtelijke aanspraak.
Economisch belang is beslissend
Het hof stelt voorop dat voor een aanmerkelijk belang voldoende is dat iemand het volledige economische belang bij de aandelen houdt. De civielrechtelijke duiding van de verkrijging kan daarom in het midden blijven. De vrouw heeft in 2006 een vierde deel van het economische belang bij de twaalf aandelen verkregen. Dit komt overeen met drie aandelen. Dat de aandelen niet op haar naam staan en onderdeel zijn van een onverdeelde gemeenschap van vier erfgenamen, doet daar niet aan af. Omdat het economische belang bij deze drie aandelen meer dan 5% van het geplaatste aandelenkapitaal vertegenwoordigt, heeft de vrouw een aanmerkelijk belang. De inspecteur heeft daarom bij de verkoop in 2020 terecht belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang in aanmerking genomen. Het hoger beroep is ongegrond.
Wet: art. 4.6 Wet IB 2001
Bron: Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 28-07-2026, ECLI:NL:GHARL:2026:5068, 25/1012 | NDFR





Geef een reactie