Hof ’s-Hertogenbosch oordeelt dat de agrarische activiteiten van een vof in 2019 en 2020 nog steeds een bron van inkomen vormen. De inspecteur maakt niet aannemelijk dat een objectieve voordeelsverwachting ontbreekt.
Een vrouw is sinds 2003 vennoot in een vof die een agrarisch bedrijf exploiteert. Na het overlijden van haar vader zetten zij, haar broer en zus het bedrijf voort. Vanaf 2009 wordt de veestapel afgebouwd en schakelt de vof over op akkerbouw. In 2019 behaalt de vof een winst van € 6.188 en in 2020 een verlies van € 6.371. In de jaren daarna zijn de resultaten positief. De vrouw werkt daarnaast in loondienst als verpleegkundige. Na een boekenonderzoek stelt de inspecteur dat de activiteiten van de vof niet langer een bron van inkomen vormen en dat sprake is van box 3-vermogen. Rechtbank Zeeland-West-Brabant oordeelt dat nog wel sprake is van een bron van inkomen. In hoger beroep is in geschil of in 2019 en 2020 een objectieve voordeelsverwachting bestaat.
Agrarische activiteiten blijven bron
Omdat de inspecteur de winst uit onderneming tot en met 2018 steeds heeft gevolgd, moet hij bewijzen dat geen bron van inkomen meer bestaat. Daarin slaagt hij volgens het hof niet. De resultaten rond 2019 en 2020 zijn niet zodanig dat een objectieve voordeelsverwachting ontbreekt. Daarbij kunnen akkerbouwactiviteiten naar hun aard wisselende resultaten opleveren. Voor een objectieve voordeelsverwachting is bovendien niet vereist dat de totaalwinst positief is. Het hof vindt de door de inspecteur gebruikte periode 2009-2022 te lang en arbitrair. Ook maakt hij niet aannemelijk dat het areaal te klein is voor een levensvatbaar akkerbouwbedrijf. De agrarische activiteiten blijven daarom een bron van inkomen. Het hoger beroep is toch gegrond, omdat de rechtbank de aanslagen te ver heeft verminderd.
Wet: art. 3.8 Wet IB 2001





Geef een reactie