De Hoge Raad oordeelt dat pensioenuitkeringen niet met terugwerkende kracht vorderbaar en inbaar kunnen worden. Ook kan een te laat vastgestelde pensioeningangsdatum niet zonder meer met terugwerkende kracht voldoen aan de uiterste ingangsdatum voor pensioen.
Een man heeft twee verzekeringen waaruit vanaf 2008 een ouderdomspensioen zou worden uitgekeerd. Over de omvang van het verzekerde kapitaal ontstaat echter een geschil met de verzekeraar en uitkeringen blijven uit. In 2017 probeert de man de kwestie af te wikkelen. De verzekeraar stelt vervolgens in 2018 met terugwerkende kracht periodieke uitkeringen vast. Dit leidt onder meer tot een nabetaling van € 73.965 over 2008 tot en met 2017. In totaal geeft de verzekeraar voor 2018 € 108.022 aan pensioenuitkeringen door. De inspecteur rekent het volledige bedrag tot het inkomen over 2018. Hof Den Haag oordeelt dat een deel van de uitkeringen al in 2016 en 2017 vorderbaar en inbaar was.
Geen terugwerkende kracht genieting
De Hoge Raad oordeelt dat periodieke uitkeringen nog niet vorderbaar en inbaar zijn zolang de ingangsdatum en de hoogte daarvan niet vaststaan. Uit de enkele omstandigheid dat het pensioenkapitaal in 2018 ‘per 1 augustus 2016’ is omgezet in een recht op periodieke uitkeringen, volgt daarom niet dat de uitkeringen al vanaf die datum vorderbaar en inbaar waren. Als de hoogte en ingangsdatum pas in 2018 zijn komen vast te staan, kunnen de uitkeringen niet met terugwerkende kracht vóór 2018 vorderbaar en inbaar zijn geworden. Het hof heeft daarom een onjuiste rechtsopvatting gehanteerd of zijn oordeel onvoldoende gemotiveerd.
Ook pensioeningangsdatum opnieuw beoordelen
Ook het oordeel dat regelmatig uitvoering is gegeven aan de pensioenovereenkomst houdt geen stand. Een ouderdomspensioen voldoet niet zonder meer aan de destijds geldende uiterste ingangsdatum als de ingangsdatum pas later wordt vastgesteld en vervolgens met terugwerkende kracht op een toegestane datum wordt gezet. Als het pensioen vóór 2018 niet langer voldeed aan de pensioenvoorwaarden van de Wet LB 1964, kan bovendien artikel 10 lid 4 Wet LB 1964 van toepassing zijn op de in 2018 genoten uitkeringen. De Hoge Raad vernietigt daarom de hofuitspraak en verwijst de zaak naar Hof Amsterdam.
Wet: art. 3.146 Wet IB 2001, art. 18a Wet LB 1964 (tekst 2016) en art. 10 Wet LB 1964
Bron: Hoge Raad 18 september 2026, ECLI:NL:HR:2026:1487, nr. 25/00833.





Geef een reactie