Rechtbank Zeeland-West-Brabant oordeelt dat de waarderingsregel voor de bijtelling wegens privégebruik van een auto niet in strijd is met het EU-recht. Recente Europese rechtspraak geeft geen aanleiding om hierover prejudiciële vragen te stellen.
Een werknemer krijgt van zijn werkgever een auto ter beschikking voor privégebruik. De werkgever houdt daarom over verschillende tijdvakken van 2020 tot en met 2023 loonheffing in op grond van de bijtellingsregeling. De werknemer stelt dat de waarderingsregel van artikel 13bis Wet LB 1964 in strijd is met art. 110 VWEU. Over hetzelfde geschilpunt heeft hij al eerder geprocedeerd tot aan de Hoge Raad. Volgens de werknemer geeft een recent arrest van het HvJ EU aanleiding om de kwestie opnieuw aan het HvJ EU voor te leggen.
Geen nieuwe argumenten voor ander oordeel
De rechtbank ziet in de aangevoerde argumenten geen nieuwe standpunten die tot een ander oordeel leiden en sluit aan bij de eerdere rechtspraak dat geen sprake is van strijd met art. 110 VWEU. Hoewel herhaald procederen onder bijzondere omstandigheden misbruik van procesrecht kan opleveren, is die grens hier nog niet bereikt. De beroepen zijn ongegrond. Wel krijgt de werknemer € 4.500 immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn.
Wet: art. 13bis Wet LB 1964 en art. 110 VWEU





Geef een reactie