Een Nederlandse profvoetbalclub moet pseudo-eindheffing betalen over excessieve vertrekvergoedingen aan een speler die naar Engeland vertrok. Rechtbank Noord-Holland oordeelt dat drie opeenvolgende spelerscontracten voor de loonbelasting als één doorlopende dienstbetrekking moeten worden beschouwd. Ook de financiële problemen van de club bieden geen uitkomst.
Een betaaldvoetbalorganisatie heeft sinds juli 2018 een speler in dienst. In 2020 en 2022 sluiten de club en de speler nieuwe arbeidsovereenkomsten, waarbij de voorgaande contracten telkens worden beëindigd. In het laatste contract wordt afgesproken dat de speler bij een toekomstige transfer recht heeft op een deel van de transfersom.
Op 14 juli 2023 vertrekt de speler naar een Engelse voetbalclub. De Nederlandse club ontvangt een transfervergoeding en betaalt de speler zijn aandeel daarvan in drie termijnen.
De Belastingdienst legt vervolgens twee naheffingsaanslagen loonheffingen op vanwege de pseudo-eindheffing excessieve vertrekvergoeding. De eerste aanslag is gebaseerd op de loonontwikkeling van de speler in 2022 en 2023 ten opzichte van 2021. De tweede aanslag heeft betrekking op zijn aandeel in de transfersom. De pseudo-eindheffing bedraagt 75% van het volgens de wettelijke berekeningswijze als excessief aangemerkte deel van de vertrekvergoeding.
Drie contracten, maar één dienstbetrekking
Volgens de club is de pseudo-eindheffing niet van toepassing. De speler heeft immers drie afzonderlijke arbeidsovereenkomsten gehad, die telkens tussentijds zijn beëindigd. Daardoor zou voor de berekening van de vertrekvergoeding alleen de laatste dienstbetrekking meetellen. In dat geval wordt volgens de club niet voldaan aan de voorwaarden voor de heffing.
De rechtbank gaat daar niet in mee. Hoewel de contracten telkens zijn vervangen door nieuwe overeenkomsten met andere arbeidsvoorwaarden, is de speler al die tijd voor dezelfde werkgever blijven voetballen. Van een daadwerkelijk vertrek was pas sprake bij de transfer naar Engeland.
De rechtbank wijst er bovendien op dat de regeling eenvoudig te omzeilen zou zijn als werkgevers door het afsluiten van nieuwe contracten telkens een nieuwe dienstbetrekking konden laten ontstaan. De Belastingdienst is daarom terecht uitgegaan van één doorlopende dienstbetrekking van 2018 tot 2023.
Financiële problemen helpen profclub niet
De club voert ook aan dat de pseudo-eindheffing een individuele en buitensporige financiële last vormt. Betaaldvoetbalorganisaties zijn voor hun bedrijfsvoering sterk afhankelijk van transferinkomsten. Die zijn onder meer nodig voor de jeugdopleiding en investeringen in nieuwe spelers. De extra belastingdruk zou bij de club tot liquiditeitsproblemen hebben geleid.
Ook dit argument overtuigt de rechtbank niet. Dat voetbalclubs vaker met de heffing te maken krijgen omdat zij afhankelijk zijn van transfers, maakt de belasting nog geen individuele en buitensporige last.
Uit de jaarverslagen blijkt bovendien dat de financiële problemen vooral samenhangen met het mislopen van de Champions League. De club heeft onvoldoende aannemelijk gemaakt dat juist de pseudo-eindheffing tot de gestelde buitensporige last heeft geleid.
Ook het beroep op het discriminatieverbod slaagt niet. De wetgever heeft bewust geen uitzondering voor betaaldvoetbalorganisaties gemaakt. Verder kan de club volgens de rechtbank geen beroep doen op het vrije kapitaalverkeer. De heffing raakt overwegend het vrije werknemersverkeer, dat in de verhouding met het Verenigd Koninkrijk niet kan worden ingeroepen. Bovendien is een belemmering van het kapitaalverkeer niet aannemelijk gemaakt.
Ten slotte stelt de club dat Nederland niet mag heffen over het deel van de vergoeding dat betrekking heeft op 66 werkdagen waarop de speler buiten Nederland actief was. De rechtbank verwerpt ook dit argument. Nederland had het heffingsrecht over de relevante loonbestanddelen uit de Nederlandse dienstbetrekking. Dat de speler bij ontvangst van de transfergerelateerde vergoeding inmiddels in het Verenigd Koninkrijk woonde, maakt dit niet anders.
De rechtbank verklaart beide beroepen ongegrond. De naheffingsaanslagen blijven in stand zoals deze na de bezwaarprocedure luidden.
Bron: Rechtbank Noord-Holland 25 juni 2026, (gepubliceerd 21 oktober 2026),ECLI:NL:RBNHO:2026:8513.






Geef een reactie