Hof Arnhem-Leeuwarden vraagt de Hoge Raad om duidelijkheid over wanneer sprake is van nieuwe jurisprudentie bij een verzoek om ambtshalve vermindering. Centraal staat of het Brandweermanarrest uit 2022 nieuwe jurisprudentie vormt ten opzichte van het Smeerkuilarrest uit 1983.
Een brandweervrijwilliger raakt in 2005 tijdens een verplichte oefening ernstig gewond en loopt blijvend letsel op. Na een schikking ontvangt hij naast een eenmalige vergoeding gedurende tien jaar maandelijkse uitkeringen van de ongevallenverzekeraar van de gemeente. In 2017 en 2018 bedragen deze uitkeringen € 18.023 respectievelijk € 18.563. De inspecteur rekent de bedragen tot het inkomen uit vroegere dienstbetrekking. Na het Brandweermanarrest van de Hoge Raad uit 2022 verzoekt de man om ambtshalve vermindering. De inspecteur weigert dit omdat volgens hem sprake is van nieuwe jurisprudentie die pas is gewezen nadat de aanslagen onherroepelijk vaststonden. Rechtbank Gelderland volgt de man, waarna de inspecteur hoger beroep instelt.
Onduidelijkheid over toetsingskader
Het hof constateert dat onduidelijk is hoe moet worden beoordeeld of sprake is van nieuwe jurisprudentie. Volgens één uitleg is vooral van belang of de inspecteur bij het opleggen van de aanslag redelijkerwijs mocht menen dat zijn rechtsopvatting juist was. Een andere uitleg is dat eerst moet worden vastgesteld of de Hoge Raad daadwerkelijk een nieuwe rechtsopvatting heeft gegeven of van eerdere rechtspraak is teruggekomen. Pas daarna zou de redelijkheid van het standpunt van de inspecteur aan de orde komen. Het hof wijst erop dat hierover inmiddels verschillend wordt geoordeeld en dat de kwestie ook buiten letselschadezaken van belang is.
Hoge Raad krijgt vijf vragen
Het hof legt daarom vijf prejudiciële vragen voor aan de Hoge Raad. Daarbij vraagt het onder meer welk toetsingskader geldt, wat de betekenis is van een redelijkerwijs verdedigbare rechtsopvatting van de inspecteur en hoe moet worden omgegaan met situaties waarin de Hoge Raad een nieuwe rechtsvraag beantwoordt of juist terugkomt van eerdere rechtspraak. Ook vraagt het hof specifiek of het Brandweermanarrest ten opzichte van het Smeerkuilarrest een nieuwe rechtsopvatting bevat. Totdat de Hoge Raad de vragen heeft beantwoord, houdt het hof iedere verdere beslissing aan.
Wet: art. 9.6 Wet IB 2001, art. 45aa, aanhef en letter b URIB 2001 en art. 27ga AWR
Bron: Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 15-09-2026, ECLI:NL:GHARL:2026:6018, 25/354 en 25/355 | NDFR





Geef een reactie