• Skip to primary navigation
  • Skip to main content
  • Skip to primary sidebar
  • Skip to footer
  • Nieuwsbrief
  • Contact

Taxence

Taxence

  • Nieuws & achtergrond
    • Nieuws
    • Branchenieuws
    • Blogs
    • Verdieping
  • Thema’s
    • AI & Tax Technology
    • Arbeid & Loon
    • Belastingplan
    • BTW & Overdrachtsbelasting
    • BV & DGA
    • Duurzaamheid (ESG & CSRD)
    • Estate planning
    • Alle thema’s
  • Opleidingen
    • AI & Tax Tech
    • ESG & CSRD
    • Estate Planning
    • BTW
    • Vastgoed
    • Internationaal
    • Arbeid & Loon
    • Formeel
    • Familiebedrijven
    • VPB
    • Pensioen
  • Carrière
    • Personalia
    • Vacatures
    • Vacature toevoegen
    • Partners
  • Vakinformatie
    • NDFR
    • Addify
    • JES! Knowledge
    • Fiscaal en meer
    • Tax talks
    • Vakblad Estate Planning
    • Specials
  • Kennisbank

HR: Geen FE voor NL dochters met Israëlische moeder

20 december 2017 door Marieke Jansen

Nederlandse zustermaatschappijen met een niet-EU moeder kunnen geen fiscale eenheid vormen voor de vennootschapsbelasting. Voor Nederlandse zusjes die gezamenlijk maar zonder hun Nederlandse moeder een FE willen aangaan is dat ook niet mogelijk, dus is geen sprake van discriminatie. Mr. Jan-Willem Gerritsen en mr. Kuba Grabarz geven hun reactie.

In deze zaak vertegenwoordigde Baker & McKenzie een concern waarvan de dochtermaatschappijen in Nederland zijn gevestigd en hun gezamenlijke moedermaatschappij in Israël. De inspecteur had het verzoek tot voeging van de Nederlandse dochters in een fiscale eenheid (FE) afgewezen omdat de moeder niet in Nederland is gevestigd. In het voordeel van het concern oordeelde het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden eerder dat de Nederlandse zustermaatschappijen echter wel ook een fiscale eenheid kunnen vormen als het moederbedrijf buiten de EU is gevestigd, mits Nederland een belastingverdrag heeft met het vestigingsland van de moedermaatschappij met een non-discriminatiebepaling. A-G Wattel dacht daar anders over en ook de Hoge Raad volgt het hof niet in zijn standpunt.

Voor de toepassing van het discriminatieverbod in het verdrag moet volgens de Hoge Raad een vergelijking worden gemaakt tussen enerzijds de Nederlandse dochters die met elkaar zonder hun Israëlische moeder een FE willen vormen, en anderzijds de Nederlandse dochters die gezamenlijk maar zonder hun Nederlandse moeder een FE willen aangaan. Volgens artikel 15 van de Wet VPB is een FE in het laatste geval niet mogelijk. Het weigeren van het vormen van een FE door de Nederlandse zusjes met een Israëlische moeder is dan geen verboden discriminatie. Omdat de Israëlische moeder niet in Nederland is onderworpen aan de VPB kunnen de zusjes ook niet met de moeder een FE vormen.

Reactie mr. Jan-Willem Gerritsen en mr. Kuba Grabarz

Taxence vroeg mr. Jan-Willem Gerritsen en mr. Kuba Grabarz, werkzaam bij Baker & McKenzie, om een reactie op deze uitspraak. ‘Het doel van de fiscale eenheid voor de vennootschapsbelasting is om twee of meer in Nederland gevestigde groepsvennootschappen te behandelen alsof er één belastingplichtige is. Dit wordt bereikt via fiscale consolidatie waardoor winsten en verliezen van de in de fiscale eenheid gevoegde vennootschappen met elkaar mogen worden verrekend en bezittingen binnen de fiscale eenheid mogen worden overgedragen, waarbij de belastbare realisatie van de meerwaarde ten aanzien van deze bezittingen kan worden uit of afgesteld.

Om een fiscale eenheid te mogen vormen dient echter wel aan een aantal eisen te worden voldaan. Zo was het tot juni 2014 bijvoorbeeld niet mogelijk een fiscale eenheid te vormen tussen in Nederland gevestigde vennootschappen met een gemeenschappelijke in een andere EU/EER-lidstaat gevestigde moedervennootschap. Evenmin kon een fiscale eenheid worden gevormd tussen een in Nederland gevestigde moedervennootschap die haar in Nederland gevestigde kleindochtervennootschap houdt via een in een EU/EER-lidstaat gevestigde tussenhoudstervennootschap. In juni 2014 oordeelde het Europese Hof van Justitie (HvJ EU) (C-39/13, C-40/13 en C-41/13) dat deze beperking strijdig is met het Europese recht. Op basis van deze uitspraak werd vorming van een fiscale eenheid in de voormelde gevallen wel mogelijk. In 2016 is de Nederlandse wetgeving aangepast in lijn met deze Europeesrechtelijke jurisprudentie.

Het fiscale eenheidsregime werd echter niet uitgebreid naar structuren met derde (non-EU/EER) landen. De wetgever heeft altijd consequent vastgehouden aan de gedachte dat het fiscale eenheidsregime alleen dient te worden uitgebreid, voor zover dit strikt noodzakelijk is op basis van Europese rechtspraak. Deze bewuste keuze van de wetgever doet in onze visie geen recht aan de vele belastingverdragen die Nederland heeft gesloten met niet-EU landen, en de belangen van aldaar gevestigde aandeelhouders die afgezien van hun vestigingsplaats in gelijke omstandigheden verkeren als aandeelhouders in Nederland of de EU. In onze optiek is de huidige fiscale eenheidsregelgeving op dit punt strijdig met (onder andere) het belastingverdrag tussen Nederland en Israël en het daarin opgenomen beginsel van non-discriminatie van Israëlische aandeelhouders in vergelijking met Nederlandse aandeelhouders die overigens in vergelijkbare omstandigheden verkeren.

De Hoge Raad is echter een andere mening toegedaan. In tegenstelling tot het Hof, heeft de Hoge Raad (in lijn met rechtbank Arnhem en de conclusie van A-G Wattel) geoordeeld dat het weigeren van de fiscale eenheid geen door het non-discriminatieartikel verboden discriminatie vormt wegens het ontbreken van een in Nederland belastingplichtige moedermaatschappij. Een overwinning voor de strikte interpretatie van de regels rond het fiscale eenheidsregime, dat met name in EU verhoudingen al jaren onder grote druk staat. Momenteel is bij het HvJ EU een zaak aanhangig (C-398/16) die wederom zaagt aan de poten van het Nederlandse fiscale eenheidsregime wegens strijdigheid met het Europese recht. Volgens de A-G bij het HvJ EU dient de belastingplichtige in ieder geval deels in het gelijk te worden gesteld. De wetgever heeft al aangekondigd dat als het HvJ EU mee zal gaan met de A-G, het fiscale eenheidsregime – met terugwerkende kracht tot 25 oktober 2017 11:00 uur (het moment waarop de conclusie van de A-G werd gepubliceerd) – mogelijk drastisch zal worden omgegooid.’ 

Wet: artikel 15 Wet Vpb 1969

Verdrag: artikel 27 Verdrag Nederland-Israël

Meer informatie: Hoge Raad 15 december 2017, ECLI:NL:HR:2017: 3128

Filed Under: Fiscaal nieuws, Nieuws, Vpb & Div.bel

Reageer
Vorige artikel
Registratie nieuwe auto eind 2014 voorkomt hoger BPM-tarief
Volgende artikel
Winst in de B.V. vaak niet uitgekeerd

Reader Interactions

Gerelateerde berichten

valuta

Voorwaardelijke betalingsverplichting niet te passiveren op fiscale balans

De Hoge Raad oordeelt dat een voorwaardelijke betalingsverplichting niet op de fiscale balans mag worden gepassiveerd. Ook oprentingslasten en valutaresultaten blijven buiten aanmerking zolang de verplichting niet onvoorwaardelijk is.

balans

Standpunt toepassing foutenleer na onjuiste activering / waardering goodwill

De Kennisgroep winstbepaling heeft een standpunt ingenomen met betrekking tot de foutenleer na onjuiste activering / waardering goodwill.

doorschuiffaciliteit open cv

Standpunt doorschuiffaciliteit bij negatieve winst tot 1 januari 2025 bij cv zonder voorafgaand verliesjaar

De Kennisgroep reorganisatiefaciliteiten en fiscale eenheden en de Kennisgroep bijzondere winstbepalingen vpb hebben in het kader van de doorschuiffaciliteit van artikel X WFKR vragen beantwoord voor de situatie dat bij een commanditaire vennoot zonder voorafgaand verliesjaar sprake is van behaalde of opgebouwde negatieve winst tot 1 januari 202

onderzoek ruimtevaart

Contractonderzoek overheid telt mee als bekostiging uit publieke middelen

Contractonderzoek voor (semi-)publieke opdrachtgevers kan meetellen als bekostiging uit publieke middelen, waardoor de onderzoeksvrijstelling van art. 6b Wet Vpb van toepassing kan zijn.

landbouwnormen 2023

Fiscale knelpunten in de landbouw

De Tweede Kamer heeft het kabinet via twee moties verzocht fiscale knelpunten in de landbouw in kaart te brengen en te onderzoeken hoe de vennootschapsbelasting beter kan aansluiten op de landbouwpraktijk.

Geef een reactie Reactie annuleren

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Primary Sidebar

Opleidingen

Online cursus afwaarderen & kwijtschelden van vorderingen

Online cursus Wet Fiscaal Kwalificatiebeleid Rechtsvormen (incl. aanpassing FGR)

Online cursus Vennootschapsbelastingplicht stichtingen & verenigingen

PE-Pitstop Emigratie van de aanmerkelijk belanghouder

Masterclass Fiscale aspecten fusies & overnames

AGENDA

Online Basistraining AI voor de fiscale praktijk

Masterclass Inbreng in en terugkeer uit de BV

Masterclass Vastgoedfiscaliteiten

Online cursus Vennootschapsbelastingplicht stichtingen & verenigingen

Masterclass De positie van de samenwoner in de inkomstenbelasting, relatievermogensrecht en vermogensplanning – Civiel en fiscaal

Online cursus De positie van het kind in het erfrecht en estate planning – Civiel en fiscaal

Online cursus introductie participatieregelingen en lucratieve belangen

Online cursus Staken van de onderneming: (turbo)liquidatie, WHOA liquidatie akkoord

Basistraining AI voor de fiscale praktijk

Congres Estate Planning 2026

Meer opleidingen

Footer

  • Fiscaal nieuws
  • Opleidingen
  • Kennisbank
  • Vacatures
  • Over ons
  • Adverteren op Taxence
  • NDFR
  • JES! (ESG producten)
  • Fiscaal en meer
  • Addify
  • Tax Talks
  • Register Estate Planners (REP)
  • Contact
  • Linkedin
  • X
  • Facebook
  • Aanmelden nieuwsbrief
  • Naar Lefebvre Sdu Webshop

Taxence is een uitgave van
Lefebvre Sdu
Maanweg 174
2516 AB Den Haag

Powered by Lefebvre Sdu

  • Disclaimer
  • Privacy Statement en Cookiebeleid
lefebvre SDU

Het laatste nieuws van
Taxence in je mail?

×