Rechtbank Zeeland-West-Brabant oordeelt dat niet buiten redelijke twijfel vaststaat dat de belastingrechter onbevoegd is. Omdat de brief mogelijk ook invorderingsrente betreft, is het verzet gegrond.
Een man stelt beroep in tegen een brief van de invorderingsambtenaar over beslaglegging van 4 maart 2025. De rechtbank verklaart zich eerst onbevoegd, maar de man stelt dat zijn beroep ook ziet op invorderingsrente. Omdat in de brief rente staat vermeld en niet duidelijk is of dit invorderingsrente is, staat de onbevoegdheid van de belastingrechter niet buiten redelijke twijfel vast.
Verzet gegrond, beroep deels doorgezonden
De rechtbank verklaart het verzet gegrond en laat de eerdere uitspraak vervallen. Voor zover het beroep ziet op beslaglegging is de belastingrechter niet bevoegd; dat is een civiele kwestie. Voor zover sprake is van invorderingsrente, moet eerst bezwaar worden gemaakt. De rechtbank verklaart het beroep daarom niet-ontvankelijk en stuurt de stukken door naar de invorderingsambtenaar als bezwaar tegen de invorderingsrente.
Wet: art. 8:55 Awb
Bron: Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 30-04-2026, ECLI:NL:RBZWB:2026:3467, BRE 25/2359 | NDFR




Geef een reactie