De Hoge Raad oordeelt dat een rechter een recente en procedure-specifieke machtiging mag verlangen van een gemachtigde. Wordt die niet overgelegd, dan mag het hoger beroep niet-ontvankelijk worden verklaard.
Een bv treedt op als gemachtigde van een man in een WOZ-zaak over 2022. Zij dient hoger beroep in en overlegt een algemene volmacht uit 2022. Het hof twijfelt aan de vertegenwoordigingsbevoegdheid en vraagt om een recente machtiging. De bv levert een nieuwe machtiging aan, maar die ziet op een WOZ-beschikking voor een later jaar. Het hof verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk. In geschil is of het hof dit mocht doen.
Rechter mag recente machtiging vragen
De Hoge Raad stelt voorop dat een rechter op grond van artikel 8:24 Awb bevoegd is om een schriftelijke machtiging te verlangen en daarbij redelijke eisen mag stellen. Daaronder valt ook het vragen om een recente machtiging of een machtiging die specifiek ziet op de lopende procedure. De rechter hoeft geen concrete twijfel te hebben over de volmacht en hoeft ook niet te motiveren waarom hij zo’n machtiging verlangt. Hiermee komt de Hoge Raad terug van eerdere rechtspraak uit 2013.
Niet-ontvankelijkheid bij ontbreken juiste machtiging
Als de gemachtigde geen passende machtiging overlegt binnen de gestelde termijn, is sprake van een herstelbaar verzuim. Wordt dat niet hersteld, dan mag de rechter het rechtsmiddel niet-ontvankelijk verklaren. De overgelegde machtiging voor een later belastingjaar voldoet niet. Het cassatieberoep is daarom ongegrond.
Wet: art. 2.1, art. 6:6 en art. 8:24 Awb
Bron: Hoge Raad, 17-04-2026, ECLI:NL:HR:2026:556, 24/04262 | NDFR





Geef een reactie