De Hoge Raad oordeelt dat onvoldoende beschikbaarheid van een gemachtigde een bijzondere omstandigheid kan zijn die verlenging van de redelijke termijn rechtvaardigt. De rechter moet wel per zaak beoordelen of dat gedrag invloed heeft op de behandelduur.
Een man maakt bezwaar tegen WOZ-beschikkingen en aanslagen gemeentelijke heffingen voor 2021. De heffingsambtenaar verklaart het bezwaar niet-ontvankelijk wegens termijnoverschrijding. Rechtbank Midden-Nederland volgt dat oordeel, maar ziet bij het verzoek om immateriële schadevergoeding aanleiding om de redelijke termijn voor berechting in eerste aanleg te verlengen van twee naar drie jaar. Volgens de rechtbank heeft de gemachtigde zeer veel procedures lopen, geen personeel en is hij daardoor onvoldoende beschikbaar voor zittingen. Hof Arnhem-Leeuwarden volgt die generieke verlenging niet en kent € 1.500 immateriële schadevergoeding toe. In cassatie gaat het vooral om de vraag wanneer procesgedrag van een gemachtigde reden is om de redelijke termijn te verlengen.
Redelijke termijn per zaak beoordelen
De Hoge Raad stelt voorop dat de redelijke termijn voor bezwaar en beroep in eerste aanleg in beginsel twee jaar bedraagt. Die termijn kan worden verlengd bij bijzondere omstandigheden, zoals procesgedrag van de man of zijn gemachtigde dat tot extra vertraging leidt. De rechter mag procesgedrag in andere zaken meewegen als dat gedrag zaaksoverstijgend is. Maar dat algemene gedrag telt alleen mee als het daadwerkelijk invloed heeft op de behandelduur van de concrete zaak. Een generieke verlenging in alle zaken van dezelfde gemachtigde is dus niet mogelijk zonder beoordeling per individuele procedure.
Capaciteitsgebrek telt als bijzonder
Het hof hanteert volgens de Hoge Raad een te strenge maatstaf. Als vaststaat dat vertraging ontstaat doordat de gemachtigde wegens capaciteitsgebrek onvoldoende beschikbaar is voor zittingen, is dat een bijzondere omstandigheid die verlenging van de redelijke termijn rechtvaardigt. Daarvoor is geen nadere belangenafweging nodig en de vertraging hoeft ook niet uitsluitend aan de gemachtigde te wijten te zijn. In deze zaak is niet bestreden dat de vertraging door de beperkte beschikbaarheid van de gemachtigde is ontstaan. De redelijke termijn bedraagt daarom drie jaar en is met één maand overschreden. De vergoeding bedraagt € 500, maar omdat de Staat niet in cassatie is gegaan en al € 1.269 moet betalen, stelt de Hoge Raad de vergoeding door de heffingsambtenaar op nihil.
Bron: Hoge Raad, 01-05-2026, ECLI:NL:HR:2026:735, 25/02550 | NDFR





Geef een reactie