Hof ’s-Hertogenbosch oordeelt dat een Luxemburgse tussenhoudster is tussengeschoven om Nederlandse dividendbelasting te ontlopen. De inhoudingsvrijstelling van artikel 4 Wet op de dividendbelasting 1965 (Wet DB 1965) is daarom terecht geweigerd wegens misbruik van Unierecht.
Een Nederlandse bv keert in 2015 en 2017 aanzienlijke dividenden uit. De oorspronkelijke aandeelhouder is een op de Kaaimaneilanden gevestigde limited partnership. Kort vóór de eerste dividenduitkering wordt een Luxemburgse s.à.r.l. opgericht. De aandelen in de Nederlandse bv worden aan deze Luxemburgse vennootschap overgedragen. Vervolgens keert de bv dividenden uit zonder inhouding van dividendbelasting op grond van de inhoudingsvrijstelling van artikel 4 lid 2 Wet DB 1965. Vrijwel het gehele bedrag – in totaal 99,84% – wordt via rente, aflossing en inkoop van aandelen doorbetaald aan de achterliggende aandeelhouder. De inspecteur legt naheffingsaanslagen dividendbelasting op over 2015 en 2017. In geschil is of de inhoudingsvrijstelling terecht is toegepast.
Misbruik van Unierecht
Het hof sluit zich aan bij het oordeel van de rechtbank Zeeland-West-Brabant dat sprake is van misbruik van Unierecht zoals bedoeld in het arrest T-Danmark van het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJ EU). De inhoudingsvrijstelling vormt een implementatie van de Moeder-dochterrichtlijn (Richtlijn 2011/96/EU) en levert daarmee een Unierechtelijk voordeel op.
Volgens het hof is zowel aan het objectieve als het subjectieve misbruikelement voldaan. De Luxemburgse vennootschap verricht geen reële economische activiteiten: zij houdt enkel de aandelen, ontvangt dividend en betaalt dit vrijwel geheel door. Er is nauwelijks substance, geen zelfstandige bedrijfsvoering en de timing – oprichting vlak vóór de dividenduitkering – wijst op een kunstmatige constructie. Zonder tussenschakeling zou 15% dividendbelasting verschuldigd zijn geweest. Dat het arrest T-Danmark pas in 2019 is gewezen, doet daar niet aan af. Het Unierechtelijk misbruikbeginsel gold ook al in 2015 en 2017.
Ook nationaal geen vrijstelling
Daarnaast oordeelt het hof dat de vrijstelling ook op grond van artkel 4 lid 4 Wet DB 1965 kan worden geweigerd, omdat de Luxemburgse vennootschap niet de uiteindelijk gerechtigde is. De specifieke dividendstrippingbepaling van artikel 4 lid 7 Wet DB 1965 is hier niet rechtstreeks van toepassing, maar dat staat weigering van de vrijstelling via lid 4 niet in de weg.
De naheffingsaanslagen zijn terecht opgelegd aan de inhoudingsplichtige en niet aan de Luxemburgse vennootschap. Ook het beroep op het vertrouwensbeginsel, het gelijkheidsbeginsel en artikel 1 van het Eerste Protocol bij het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EP EVRM) slaagt niet. Alleen de belastingrente over 2015 wordt verminderd wegens een rekenfout.
Wet: art. 4 Wet op de dividendbelasting 1965
Bron: Gerechtshof ‘s-Hertogenbosch, 24-12-2025, ECLI:NL:GHSHE:2025:3712, 22/1144 en 22/1145 | NDFR






Geef een reactie