Het kabinet ziet geen aanleiding om de landbouwvrijstelling te verruimen voor melkveehouders die grond tijdelijk beschikbaar stellen voor wisselteelt. Het huidige beleidsbesluit geeft volgens het kabinet binnen de bestaande wetgeving en jurisprudentie een zo ruim mogelijke uitleg van het begrip vruchtwisseling.
De landbouwvrijstelling is in beginsel niet van toepassing op grond die ter beschikking wordt gesteld aan een ander. Voor noodzakelijke vruchtwisseling geldt een uitzondering. Daarbij wordt beoordeeld of vruchtwisseling noodzakelijk is vanuit het perspectief van de grondeigenaar bij de uitoefening van het landbouwbedrijf.
Melkveehouders kunnen de landbouwvrijstelling daarom niet toepassen over de periode dat hun grasland ter beschikking wordt gesteld aan bijvoorbeeld een akkerbouwer. Voor de melkveehouder bestaat geen directe noodzaak om grasland tijdelijk te ruilen voor het behoud van de bodemkwaliteit. Gras en maïs zijn geen bodemuitputtende gewassen.
Belang van vruchtwisseling
Voor gewassen als aardappelen, uien en bloembollen is vruchtwisseling noodzakelijk om bodemgebonden ziekten en plagen te voorkomen. Dat kan binnen het eigen bedrijf, maar ook in samenwerking met melkveehouders. Vruchtwisseling draagt bovendien bij aan het verminderen van het gebruik van chemische gewasbeschermingsmiddelen. Volgens het kabinet wordt binnen de ruimte die de wet biedt zoveel mogelijk rekening gehouden met dit maatschappelijke en landbouwkundige voordeel.
Het kabinet erkent dat het denkbaar is dat een melkveehouder vanwege gedeeltelijk verlies van de landbouwvrijstelling zijn grond niet beschikbaar wil stellen. Of dit daadwerkelijk plaatsvindt en wat daarvan de gevolgen zijn, is niet bekend. Een uitbreiding van de vrijstelling naar deze situaties vereist een wetswijziging en ligt vanwege de uitkomsten van de evaluatie van de landbouwvrijstelling niet voor de hand.
Geen ruimere overgangsregeling
Het kabinet wijst erop dat de huidige werkwijze niet wezenlijk verschilt van de werkafspraak uit 2014 tussen de Belastingdienst en LTO Nederland. Daarom ligt ook tijdelijk maatwerk of een ruimere overgangsregeling niet voor de hand. Wel wordt voor de bedrijfsopvolgingsregelingen gewerkt aan een verruiming bij uitruil van grond tussen akkerbouwers en melkveehouders. Hiervoor wordt in de Fiscale Verzamelwet 2028 een maatregel uitgewerkt.
Bron: Kamerbrief landbouwvrijstelling, nr. 2026Z17352, Ministerie van Financiën, 2 oktober 2026





Geef een reactie