Rechtbank Noord-Nederland oordeelt dat de inspecteur mag navorderen na de ontbinding van een bv. De inspecteur volgt terecht het positieve vervreemdingsvoordeel uit aanmerkelijk belang.
Een vrouw houdt sinds 4 augustus 1994 acht van de veertig certificaten van aandelen in een bv. Die bv houdt alle aandelen in een dochter-bv, waaruit tot 1 januari 2018 een onderneming wordt gedreven. Op 30 augustus 2018 wordt bij de Kamer van Koophandel geregistreerd dat de dochter-bv per 1 januari 2018 is ontbonden en is opgehouden te bestaan wegens het ontbreken van bekende baten. De onderneming wordt voortgezet door de vader van de vrouw. In de aangiften ib/pvv 2018 van de vrouw en haar fiscale partner is geen inkomen uit aanmerkelijk belang aangegeven. De inspecteur legt navorderingsaanslagen ib/pvv 2018 op. In geschil is of hij daarvoor een nieuw feit heeft en of het inkomen uit aanmerkelijk belang juist is berekend.
Nieuw feit aanwezig
De rechtbank oordeelt dat de inspecteur bij het opleggen van de primitieve aanslagen ib/pvv 2018 nog niet bekend is met de ontbinding van de dochter-bv. De aangifte vennootschapsbelasting 2018, waarin die ontbinding staat, is pas op 3 december 2019 ingediend, terwijl de aanslagen ib/pvv 2018 al in juni 2019 zijn opgelegd. De inspecteur hoefde de aangiften van de vrouw en haar partner ook niet nader te onderzoeken. Dat in de aangifte van de vader een schuld aan de bv uit box 3 verdwijnt, leidt niet automatisch tot een onderzoeksplicht voor de aangiften van de vrouw en haar partner.
Ab-voordeel terecht berekend
De rechtbank volgt de inspecteur ook in de berekening van het belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang. Een turboliquidatie betekent niet automatisch dat er op het liquidatiemoment geen baten zijn. Uit eerdere aangiften vennootschapsbelasting blijkt dat de dochter-bv een vordering op de vader had. De vrouw en haar partner onderbouwen niet dat die vordering is kwijtgescholden of via dividend is verrekend. Daarom gaat de rechtbank uit van een liquidatie-uitkering naar rato van het aandelenbezit. De vrouw heeft recht op 20% en het inkomen uit aanmerkelijk belang blijft € 44.493, waarvan de helft aan haar en de helft aan haar fiscale partner is toegerekend. De beroepen zijn ongegrond.
Wet: art. 16 AWR en art. 4.12 Wet IB 2001
Bron: Rechtbank Noord-Nederland, 02-06-2026, ECLI:NL:RBNNE:2026:2181, LEE 25/598 en 25/602 | NDFR
Online cursus Staken van de onderneming: (turbo)liquidatie, WHOA liquidatie akkoord
In welke situatie moet de gewone liquidatieprocedure worden gevolgd, wanneer is turboliquidatie mogelijk en wanneer moet faillissement worden aangevraagd? Daarnaast wordt besproken hoe een WHOA-liquidatieakkoord kan bijdragen aan het voorkomen van faillissement en aan een zorgvuldige liquidatie van de rechtspersoon. Turboliquidatie lijkt een aantrekkelijke ontbindingsmogelijkheid, maar is niet zonder risico’s. Daarom wordt ook ingegaan op de positie van onbetaald gebleven schuldeisers na een (turbo)liquidatie, evenals op de positie van het bestuur en de aansprakelijkheidsrisico’s.





Geef een reactie