Hof Den Haag oordeelt dat een lening aan de eigen bv civielrechtelijk wel bestaat, maar fiscaal onzakelijk is. Daardoor is de afwaardering van de vordering niet aftrekbaar in box 1.
Een dga verkoopt in 2018 een pand en stort € 268.500 door naar zijn houdster-bv via een rekening-courant. De bv verkeert al jaren in zwaar weer met structurele verliezen en een negatief eigen vermogen. De gelden worden grotendeels gebruikt om een schuld binnen de groep af te lossen. In zijn aangifte ib/pvv 2018 neemt de dga een afwaarderingsverlies van € 271.135 op wegens het faillissement van de bv. De inspecteur weigert die aftrek. In geschil is of sprake is van een lening, en zo ja, of deze zakelijk is en kan worden afgewaardeerd.
Wel lening, geen schijn of bodemloze put
Het hof oordeelt dat civielrechtelijk sprake is van een lening. De inspecteur maakt niet aannemelijk dat de betaling een privéaflossing is of dat partijen een kapitaalstorting beoogden. Ook is geen sprake van een bodemlozeputlening: op het moment van verstrekken stond niet vast dat terugbetaling onmogelijk was, mede omdat latere verstoringen (zoals het wegvallen van machines) toen nog niet voorzienbaar waren.
Debiteurenrisico maakt lening onzakelijk
Volgens het hof is wél sprake van een onzakelijke lening in de tbs-sfeer. De bv heeft al jaren forse verliezen en een negatief vermogen, terwijl zekerheden feitelijk ontbreken en de liquiditeitspositie zeer zwak is. Een onafhankelijke derde zou onder deze omstandigheden geen lening hebben verstrekt, ook niet tegen een hogere rente. De dga aanvaardt daarmee een debiteurenrisico vanuit zijn aandeelhoudersbelang. Het afwaarderingsverlies van € 271.135 is daarom niet aftrekbaar. Het hof bevestigt de uitspraak van de rechtbank.
Wet: art. 3.92 en art. 3.94 Wet IB 2001
Bron: Gerechtshof Den Haag, 03-02-2026, ECLI:NL:GHDHA:2026:350, BK-24/545 | NDFR





Geef een reactie