De Kennisgroep winstbepaling heeft een standpunt ingenomen over de boekwaarde-eis van artikel 3.54, tweede lid, Wet Inkomstenbelasting 2001.
In januari van jaar nul investeert belastingplichtige in een aantal kort-afschrijfbare bedrijfsmiddelen. In december van datzelfde jaar wordt door X BV, een bedrijfspand verkocht en geleverd aan een derde. De verkoopprijs van het bedrijfspand bedraagt € 30 miljoen. De boekwaarde van het pand bedraagt € 15 miljoen. Voor het verschil tussen de verkoopprijs en de boekwaarde van het pand wordt een herinvesteringsreserve gevormd. Belastingplichtige heeft de intentie om de HIR in de nabije toekomst aan te wenden voor nieuw te verwerven kort-afschrijfbare bedrijfsmiddelen.
In de aangifte over jaar twee heeft X BV een gedeelte van de gevormde HIR aangewend ten aanzien een aantal nieuw verworven kort-afschrijfbare bedrijfsmiddelen (herinvesteringen). Voor de boekwaarde-eis, heeft X BV rekening gehouden met de vanaf januari van jaar nul gedane investeringen in kort-afschrijfbare bedrijfsmiddelen.
Vraag
Is het in casu voor de boekwaarde-eis van artikel 3.54, tweede lid, Wet IB 2001 toegestaan om aanschaffings- of voortbrengingskosten van herinvesteringen in jaar nul, mee te tellen bij de boekwaarde-eis in jaar twee?
Antwoord
Ja. De HIR kan naar keuze van belastingplichtige worden afgeboekt op investeringen in kort-afschrijfbare bedrijfsmiddelen die hebben plaatsgevonden vóór en na de vervreemding van een bedrijfsmiddel in jaar nul, met inachtneming van de driejaarstermijn van art. 3.54, eerste lid, Wet IB 2001. Naar keuze van belastingplichtige tellen die investeringen in het jaar van vervreemding mee voor de boekwaarde-eis.





Geef een reactie