Voor de pseudo-eindheffing excessieve vertrekvergoeding telt bij een in Italië wonende werknemer alleen het aan Nederland toe te rekenen loon mee. Gerechtshof Den Haag oordeelt dat geen sprake is van strijd met het vrije verkeer van werknemers.
Een bv maakt deel uit van een internationaal concern en fungeert als hoofdkantoor. Een werknemer van de Italiaanse vestiging werkt vanaf 1 september 2008 bij de bv en blijft fiscaal inwoner van Italië. Hij krijgt de 30%-regeling en zijn uitzending eindigt op 31 december 2016, waarna hij met pensioen gaat. De bv dient in 2020 aangifte loonheffingen in voor de pseudo-eindheffing excessieve vertrekvergoeding. De inspecteur wijkt daarvan af, omdat hij niet uitgaat van het wereldinkomen van de werknemer, maar alleen van het in Nederland belaste loon. Hij legt naheffingsaanslagen loonheffingen op over 2016, 2018 en 2019. In hoger beroep is in geschil of Nederland mag heffen en hoe het toetsloon moet worden berekend.
Heffing volgt loonbestanddelen
Het hof oordeelt dat de pseudo-eindheffing niet volledig aan Italië toekomt. Aan de heffing liggen daadwerkelijk genoten loonbestanddelen ten grondslag uit het jaar van beëindiging van de dienstbetrekking, het voorafgaande jaar en latere jaren. Voor zover het belastingverdrag Nederland-Italië de heffing over die loonbestanddelen aan Nederland toewijst, volgt de pseudo-eindheffing die toewijzing. Dat de werknemer op het moment van beëindiging in Italië woont, maakt dat niet anders. Artikel 32bb lid 7 Wet LB bepaalt alleen wanneer de inhoudingsplichtige de pseudo-eindheffing verschuldigd wordt. Die bepaling zegt niets over de plaats waar de bestanddelen van de vertrekvergoeding zijn verdiend.
Geen wereldloon als toetsloon
Voor het toetsloon hoeft de bv niet uit te gaan van het wereldloon. Volgens het hof hebben de begrippen loon, werknemer en inhoudingsplichtige in artikel 32bb Wet LB dezelfde betekenis als elders in de Wet LB. Daardoor werkt het beperkte werknemersbegrip voor niet-inwoners door. De werknemer geldt alleen als werknemer voor zover het belastingverdrag het heffingsrecht over zijn loon aan Nederland toewijst. Het Besluit 2001 helpt de bv niet, omdat dit besluit is ingetrokken en zag op een andere situatie. Ook is geen sprake van strijd met artikel 45 VWEU. Inwoners en niet-inwoners zijn voor deze regeling niet objectief vergelijkbaar. Het hoger beroep is ongegrond en de naheffingsaanslagen blijven in stand.
Wet: art. 2, art. 10 en art. 32bb Wet LB 1964 en art. 45 VWEU
Bron: Gerechtshof Den Haag, 27-05-2026, ECLI:NL:GHDHA:2026:1809, BK-25/613 tot en met BK-25/615 | NDFR





Geef een reactie