Gerechtshof Amsterdam oordeelt dat de 30%-regeling niet kan worden voortgezet als tussen twee dienstverbanden meer dan drie maanden verstrijken. Dat de sollicitatieprocedure buiten de schuld van de werknemer vertraging oploopt, maakt dat niet anders.
Een werknemer ontvangt vanaf 1 oktober 2021 de 30%-regeling. Nadat zijn dienstverband op 31 oktober 2022 eindigt, solliciteert hij vrijwel direct bij een nieuwe werkgever. De sollicitatieprocedure loopt echter vertraging op door omstandigheden aan de kant van de werkgever, waardoor de arbeidsovereenkomst pas op 16 februari 2023 tot stand komt. De werknemer en zijn nieuwe werkgever verzoeken om voortzetting van de 30%-regeling, maar de inspecteur wijst dat verzoek af omdat meer dan drie maanden zijn verstreken tussen beide dienstverbanden. In hoger beroep is in geschil of die afwijzing terecht is.
Driemaandstermijn is een harde grens
Het hof oordeelt dat de inspecteur het verzoek terecht heeft afgewezen. De driemaandstermijn in het Uitvoeringsbesluit loonbelasting is bedoeld als objectieve maatstaf om vast te stellen dat een werknemer nog beschikt over schaarse specifieke deskundigheid. De regel biedt rechtszekerheid, ook al kan een vaste termijn in individuele gevallen hard uitpakken. Dat de vertraging in de sollicitatieprocedure volledig buiten de invloed van de werknemer ligt, doet volgens het hof niet ter zake. De regeling biedt geen ruimte om rekening te houden met de verwijtbaarheid van de termijnoverschrijding.
Geen ruimte voor uitzondering
Ook het beroep op het evenredigheidsbeginsel slaagt niet. Volgens het hof is de besluitgever met de driemaandstermijn binnen de grenzen van zijn regelgevende bevoegdheid gebleven. Bovendien moet bij een tijdig verzoek alsnog aannemelijk worden gemaakt dat de werknemer kwalificeert als ingekomen werknemer. Dat is in deze procedure niet gebeurd. De uitspraak van de rechtbank blijft daarom in stand en de afwijzing van de voortzetting van de 30%-regeling blijft gehandhaafd.
Wet: art. 31a, lid 2, onderdeel e, Wet LB 1964, art. 10ea en art. 10ed UBLB
Bron: Gerechtshof Amsterdam, 21-04-2026, ECLI:NL:GHAMS:2026:1784, 25/846 | NDFR





Geef een reactie