De Hoge Raad oordeelt dat de verkorting van de looptijd van de 30%-regeling per 1 januari 2019 ook geldt voor lopende beschikkingen. Het beperkte overgangsrecht is niet in strijd met algemene rechtsbeginselen of verdragsrecht.
Een vrouw is uit het buitenland aangeworven door haar Nederlandse werkgever. De inspecteur geeft haar op 17 januari 2012 een beschikking voor toepassing van de 30%-regeling met een looptijd van 1 december 2011 tot en met 30 november 2021. In de beschikking staat dat deze geldt onder voorbehoud van wijziging in wet- en regelgeving. Per 1 januari 2019 verkort de wetgever via het Belastingplan 2019 de maximale looptijd van de 30%-regeling van acht of tien jaar naar vijf jaar. Voor bestaande gevallen geldt overgangsrecht tot uiterlijk 31 december 2020. De werkgever past de regeling daarom vanaf 1 januari 2021 niet meer toe. In geschil is of de vrouw toch recht heeft op toepassing tot en met 30 november 2021.
Geen toetsing aan algemene beginselen
Volgens de vrouw is de wetswijziging in strijd met het zorgvuldigheids-, rechtszekerheids-, evenredigheids- en gelijkheidsbeginsel. Hof Amsterdam wijst dat af en de Hoge Raad volgt dat oordeel. De verkorting is neergelegd in een wet in formele zin. Door het toetsingsverbod van art. 120 Grondwet mag de rechter zo’n wet niet toetsen aan algemene rechtsbeginselen. Alleen bij bijzondere, niet-verdisconteerde omstandigheden kan dat anders zijn. Uit de parlementaire geschiedenis blijkt echter dat de wetgever juist oog heeft gehad voor lopende gevallen en daarom overgangsrecht heeft ingevoerd. Er is dus geen reden om de wet buiten toepassing te laten.
Geen strijd met eigendomsrecht of discriminatieverbod
Ook het beroep op artikel 1 EP EVRM faalt. Zelfs als de 30%-beschikking een eigendomsrecht zou opleveren, valt de wetswijziging binnen de ruime beoordelingsmarge van de wetgever bij belastingheffing. De beschikking bevat bovendien een voorbehoud voor wetswijzigingen. Dat de verkorting afhankelijk is van de ingangsdatum van de beschikking, levert volgens de Hoge Raad evenmin verboden discriminatie op in de zin van artikel 14 EVRM, artikel 1 Twaalfde Protocol EVRM of artikel 26 IVBPR. Het cassatieberoep is ongegrond.
Wet: art. 31a Wet LB 1964, art. 10ec UBLB 1965 en art. 1 EP EVRM
Bron: Hoge Raad, 13-02-2026, ECLI:NL:HR:2026:123, 25/00133 | NDFR
Verdiepingscursus Internationale aspecten loonheffing
Tijdens deze verdiepingscursus zoomt loonheffingenspecialist Jaap Spierenburg in op de internationale aspecten van de loonheffingen. Daarbij is er onder meer aandacht voor de belastingplicht van niet in Nederland wonende werknemers, de inhoudingsplicht voor niet in Nederland gevestigde werkgevers, internationale sociale zekerheid, de internationale aspecten van de werkkostenregeling en niet te vergeten de (nu nog) 30%-regeling. Ook komen praktische zaken aan de orde die een rol spelen in de loonadministratie voor grensoverschrijdende werknemers en wordt aandacht besteed aan de salary split.





Geef een reactie