Het kabinet werkt aan een rechtsvermoeden in de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag om werknemers beter te beschermen tegen onderbetaling. Minister Vijlbrief schetst de voortgang van de uitwerking van dit nieuwe instrument, waarmee de bewijslast in bepaalde gevallen wordt verschoven van werknemer naar werkgever.
Het kabinet vindt het belangrijk dat werknemers daadwerkelijk het loon ontvangen waarop zij recht hebben. Hoewel de Arbeidsinspectie bij onderbetaling al een nabetalingsverplichting kan opleggen en werknemers hun loon via de civiele rechter kunnen opeisen, blijven situaties bestaan waarin werknemers hun loon niet of niet volledig ontvangen. Vooral kwetsbare werknemers en arbeidsmigranten ondervinden hiervan de gevolgen.
Om de positie van werknemers te versterken werkt het kabinet aan een rechtsvermoeden in de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag (Wml). In situaties waarin het rechtsvermoeden wordt ingeroepen, moet de werkgever aantonen dat het minimumloon is betaald. Daarmee wordt de bewijslast feitelijk omgekeerd. Het voorstel vloeit voort uit aanbevelingen van het Aanjaagteam bescherming arbeidsmigranten.
Werknemers eenvoudiger aan hun recht helpen
De minister werkt zowel een bestuursrechtelijke als een civielrechtelijke variant uit. Bij de bestuursrechtelijke variant kan de Arbeidsinspectie het rechtsvermoeden toepassen wanneer sprake is van een vermoeden van onderbetaling en de werkgever onvoldoende administratie overlegt. Hierdoor kan vaker een nabetalingsverplichting worden opgelegd.
Bij de civielrechtelijke variant verschuift de bewijslast in procedures van de werknemer naar de werkgever. Dit moet het voor werknemers eenvoudiger maken om achterstallig loon op te eisen en tegelijkertijd de prikkel voor werkgevers wegnemen om onvoldoende administratie bij te houden.
Balans tussen bescherming en rechtszekerheid
Volgens de minister vraagt de invoering van het rechtsvermoeden om een zorgvuldige uitwerking. Zo moet duidelijk worden wanneer sprake is van een objectief vast te stellen vermoeden van onderbetaling. Het instrument mag niet disproportioneel uitpakken voor welwillende werkgevers en mag evenmin leiden tot een prikkel voor misbruik.
Ook wordt onderzocht hoe werkgevers het rechtsvermoeden kunnen weerleggen en hoe een opgelegde nabetalingsverplichting effectief kan worden afgedwongen. Daarbij wordt gekeken naar de inzet van een last onder dwangsom door de Arbeidsinspectie.
De komende maanden wordt het voorstel verder uitgewerkt tot een wetsvoorstel. Daarna zal de Arbeidsinspectie de uitvoerbaarheid en handhaafbaarheid toetsen voordat het voorstel voor advies aan de Raad van State wordt voorgelegd.
Bron: Kamerbrief Voortgang rechtsvermoeden minimumloon, Tweede Kamer, nr. 2026-0000180384, 2 juni 2026





Geef een reactie