Een pv-installatie op het dak van een distributiecentrum vormt een afzonderlijk WOZ-object en kwalificeert als gebouwd eigendom, zodat de werktuigenuitzondering niet van toepassing is.
Een bv huurt het dak van een distributiecentrum en exploiteert daarop voor eigen rekening en risico een pv-installatie. In aanvulling op de huurovereenkomst is een huuraanvullend opstalrecht gevestigd voor een periode van twintig jaar, met een eenzijdige verlengingsmogelijkheid. De pv-installatie bestaat onder meer uit zonnepanelen, omvormers, bekabeling, draagconstructies en een aansluiting op het elektriciteitsnet. De installatie is niet vast verankerd aan het dak, maar ligt los op het dak met ballast. De heffingsambtenaar merkt de pv-installatie aan als één onroerende zaak en stelt daarvoor de WOZ-waarde vast voor het jaar 2021. De bv is het daarmee niet eens en stelt dat (delen van) de installatie onder de werktuigenuitzondering vallen. In geschil is of de pv-installatie als gebouwd eigendom moet worden aangemerkt.
PV-installatie is gebouwd eigendom
De Hoge Raad stelt voorop dat tussen partijen niet in geschil is dat de pv-installatie één afzonderlijk WOZ-object vormt in de zin van art. 16 Wet WOZ. Het hof heeft daarom terecht beoordeeld of de installatie op zichzelf een gebouwd eigendom is. Daarbij geldt als maatstaf of het werk naar aard en inrichting is bestemd om duurzaam ter plaatse te blijven. De Hoge Raad acht het oordeel van het hof dat hiervan sprake is, juist en voldoende gemotiveerd. Daarbij is van belang dat de pv-installatie een complexe technische samenstelling heeft, is verzwaard met ballast en is geplaatst met het oog op langdurige exploitatie. Dat de installatie technisch verplaatsbaar is, doet daaraan niet af.
Geen werktuigenuitzondering van toepassing
Volgens de Hoge Raad heeft het hof terecht geoordeeld dat de werktuigenuitzondering niet van toepassing is op de pv-installatie. Omdat de installatie als geheel een gebouwd eigendom vormt, komt zij niet in aanmerking voor de werktuigenuitzondering. Het hof hoefde niet te onderzoeken of afzonderlijke onderdelen van de installatie zelfstandigheid in bouwkundig opzicht hebben. Dat criterium is alleen relevant wanneer het gaat om onderdelen van een WOZ-object, en daarvan is hier geen sprake. Ook het bestaan van een opstalrecht maakt dit niet anders, omdat een opstalrecht geen onroerende zaak is in de zin van art. 16 Wet WOZ. Het cassatieberoep faalt.
Wet: art. 16 en art. 18 Wet WOZ
Bron: de Hoge Raad 16 januari 2026 (gepubliceerd 16 januari 2026), ECLI:NL:HR:2026:56, 24/02816 | NDFR





Geef een reactie