Rechtbank Zeeland-West-Brabant oordeelt dat een bedrijfspensioenfonds niet kwalificeert als een ter collectieve belegging bijeengebracht vermogen. De deelnemers dragen onvoldoende beleggingsrisico, zodat de diensten niet zijn vrijgesteld van omzetbelasting.
Een bedrijfspensioenfonds voert pensioenregelingen uit voor (voormalige) werknemers van aangesloten ondernemingen. Het fonds voldoet over het eerste kwartaal van 2019 € 374.747 aan omzetbelasting op aangifte en maakt daartegen bezwaar. Volgens het fonds zijn de verrichte diensten vrijgesteld, omdat sprake is van beheer van een ter collectieve belegging bijeengebracht vermogen. Het fonds wijst erop dat de regelingen het karakter hebben van collectieve beschikbare premieregelingen en dat de uiteindelijke pensioenuitkeringen mede afhangen van indexatie, kortingen en het beleggingsrendement. De inspecteur stelt dat de pensioenrechten vooral worden bepaald door pensioengevend inkomen en dienstjaren. In geschil is of de deelnemers het beleggingsrisico dragen.
Beleggingsrisico niet aannemelijk
De rechtbank volgt de inspecteur. Volgens het HvJ dragen deelnemers alleen beleggingsrisico als het bedrag van hun pensioenrechten en -uitkeringen in de eerste plaats afhankelijk is van de beleggingsresultaten. Daarvan is hier geen sprake. De pensioenrechten kunnen in ruime mate vooraf worden bepaald aan de hand van het pensioengevend inkomen en het aantal dienstjaren. Het jaarlijkse opbouwpercentage is in de pensioenreglementen vastgesteld op maximaal 1,85% van de pensioengrondslag en is niet direct gekoppeld aan daadwerkelijk behaalde beleggingsresultaten. Dat dit percentage kan worden verlaagd als de premie onvoldoende is, maakt dit niet anders.
Geen beroep op neutraliteit
Ook de mogelijkheid om pensioenen te verhogen of te verlagen op basis van de beleidsdekkingsgraad helpt het fonds niet. Bij die dekkingsgraad speelt onder meer de rentetermijnstructuur van De Nederlandsche Bank een rol. Die houdt geen direct verband met het behaalde beleggingsrendement. Actuariële berekeningen laten volgens de rechtbank alleen zien dat beleggingsrendement nodig is om de pensioenen te financieren. Dat betekent nog niet dat de deelnemers een met beleggers vergelijkbaar risico lopen. Het fonds maakt evenmin aannemelijk dat het op grond van fiscale neutraliteit vergelijkbaar is met pensioenfondsen die wel als gemeenschappelijk beleggingsfonds gelden. Het beroep is ongegrond.
Wet: art. 11, lid 1, onderdeel i Wet OB 1968 en art. 135 Btw-richtlijn
Bron: Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 16-06-2026, ECLI:NL:RBZWB:2026:5272, BRE 20/10073 | NDFR





Geef een reactie