In deze regeling wordt een tweetal omissies hersteld met betrekking tot de Uitvoeringsregeling inkomstenbelasting 2001 (URIB 2001). De wijzigingen zien op de uitzondering op het zogenoemde vlagvereiste in de tonnageregeling.
In de tonnageregeling geldt als hoofdregel dat een schip de vlag moet voeren van een EU- of EER-lidstaat. De Europese staatssteunkaders staan echter drie uitzonderingssituaties toe, waaronder de situatie waarin op landelijk niveau de nettotonnage van kwalificerende schepen onder EU/EER-vlag als percentage van de totale nettotonnage niet is gedaald ten opzichte van de voorafgaande driejaarsperiode. In de Wet IB 2001 is vastgelegd dat in zo’n geval bij ministeriële regeling kan worden bepaald dat aan deze vlagvereiste tijdelijk niet hoeft te worden voldaan, mits dit gebeurt in overeenstemming met de minister van Infrastructuur en Waterstaat.
Uit de recente cijfers blijkt dat het driejaarsgemiddelde over 2022–2024 is gestegen van 56,363 procent naar 56,863 procent ten opzichte van 2021–2023. Daarmee is voldaan aan de voorwaarde om de bestaande uitzondering op het vlagvereiste in artikel 9a URIB 2001 ook voor 2026 te handhaven. Doordat de jaartallen in artikel 9a URIB 2001 per abuis niet waren aangepast, wordt dit nu met terugwerkende kracht tot en met 1 januari 2026 gerepareerd. Concreet betekent dit dat voor schepen die in 2026 in gebruik worden genomen, niet vereist is dat zij zelf onder EU/EER-vlag varen, mits de belastingplichtige minstens één kwalificerend schip exploiteert dat wél de vlag van een EU- of EER-lidstaat voert.
De regeling treedt in werking met ingang van 17 januari 2026 waarbij artikel I, onderdeel A, terugwerkt tot en met 1 januari 2025en artikel I, onderdeel B, terugwerkt tot en met 1 januari 2026.
Bron: Regeling van 12 januari 2026, nr. 2026-0000001684, Ministerie van Financiën, stcrt. 2026, 1154





Geef een reactie