Hof Arnhem-Leeuwarden oordeelt dat de kamerverhuur in een landhuis geen onderneming vormt. De inspecteur mag de stakingswinst herstellen met de foutenleer.
Een echtgenote koopt in 1974 een landhuis met schuur en grond. Vanaf 1999 exploiteert zij het pand samen met haar echtgenoot in een vof. Zij verhuren kamers, eerst ook aan zorgpersoneel en zorgbehoevenden, later vooral aan studenten. In 2015 vragen zij om geruisloze inbreng in een bv. De inspecteur stelt na onderzoek dat in 2016 geen onderneming meer bestaat, maar sprake is van normaal vermogensbeheer. De verhuur bestaat dan uit studentenkamers, twee permanent verhuurde kamers en een vrijstaande woning. In geschil is of de kamerverhuur nog winst uit onderneming oplevert en of geruisloze inbreng mogelijk is.
Arbeid blijft binnen normaal beheer
Volgens het hof maakt de inspecteur aannemelijk dat de activiteiten vóór 2016 zijn gewijzigd. De eerdere zorgtaken verdwijnen na de overgang naar verhuur aan studenten. Wat overblijft, zoals schoonmaak van gezamenlijke ruimten, klein onderhoud en contact met huurders, gaat niet verder dan normaal vermogensbeheer. Groot onderhoud wordt uitbesteed en huurders houden hun eigen kamers schoon. Ook is geen rendement behaald dat uitstijgt boven normaal vermogensbeheer. De onderneming is daarom al vóór 2016 gestaakt. Omdat navordering over eerdere jaren niet meer mogelijk is, mag de inspecteur de fout herstellen in het laatst openstaande jaar. Het beroep op een individuele en buitensporige last in box 3 is niet onderbouwd en faalt. Ook het verzoek om geruisloze inbreng is terecht afgewezen, omdat daarvoor een onderneming nodig is.
Het hoger beroep is ongegrond.
Wet: art. 3.65 Wet IB 2001
Bron: Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 16-06-2026, ECLI:NL:GHARL:2026:4063, 24/1715, 24/1716 en 24/1717 | NDFR





Geef een reactie