Rechtbank Gelderland oordeelt dat de inspecteur de IB/PVV-aanslagen 2017 tot en met 2020 niet ambtshalve hoeft te verminderen. Voor niet-bezwaarmakers geldt het Kerstarrest als nieuwe jurisprudentie, zodat geen rechtsherstel volgt via een verzoek om ambtshalve vermindering.
Een man krijgt voor de jaren 2017, 2018, 2019 en 2020 aanslagen IB/PVV opgelegd met daarin inkomen uit sparen en beleggen. Zijn box 3-vermogen bestaat in die jaren vrijwel geheel uit banktegoeden: ongeveer 99% in 2017 tot en met 2019 en ongeveer 93% in 2020. De rendementsgrondslag ligt op 1 januari van die jaren tussen € 1.267.517 en € 1.391.291. Het werkelijk behaalde rendement blijft fors achter bij het forfaitaire rendement. Na het Kerstarrest verzoekt de man op 24 september 2022, 6 oktober 2022 en 2 november 2022 om ambtshalve vermindering van zijn aanslagen IB/PVV 2017 tot en met 2020. De inspecteur wijst die verzoeken af. Daarna ontstaat geschil over de vraag of de man als niet-bezwaarmaker toch recht heeft op box 3-herstel.
Kerstarrest is nieuwe jurisprudentie
De rechtbank stelt voorop dat de Hoge Raad in het arrest van 20 mei 2022 al heeft geoordeeld dat het Kerstarrest voor deze situatie geldt als nieuwe jurisprudentie in de zin van art. 45aa Urib 2001. Daarom kan de inspecteur een verzoek om ambtshalve vermindering afwijzen als de aanslagen op 24 december 2021 al onherroepelijk vaststaan. Volgens de rechtbank heeft de inspecteur dat arrest dus juist uitgelegd. De man kan niet alsnog via de achterdeur van ambtshalve vermindering rechtsherstel krijgen voor zijn IB/PVV-aanslagen 2017 tot en met 2020. Dat zijn werkelijke rendement in die jaren veel lager ligt dan het forfaitaire rendement, maakt dat niet anders. Voor deze groep niet-bezwaarmakers is op basis van het Kerstarrest zelf geen plaats voor herstel.
Andere argumenten helpen ook niet
Ook de overige verweren van de man slagen niet. Rechtbank Gelderland volgt hem niet in zijn stelling dat al uit oudere rechtspraak volgt dat zijn aanslagen onjuist zijn. Verder verwerpt de rechtbank zijn beroep op onder meer het gelijkheidsbeginsel, het vertrouwensbeginsel, het fair play-beginsel en artikel 1 EP EVRM en artikel 14 EVRM. Voor die oordelen sluit de rechtbank aan bij een eerdere uitspraak van Rechtbank Den Haag van 26 juni 2025. Ook het standpunt dat sprake is van een verschoonbare termijnoverschrijding haalt het niet. De man heeft namelijk binnen de wettelijke bezwaartermijn geen bezwaar gemaakt, simpelweg omdat hij daar toen geen reden voor zag. Dat het Kerstarrest pas later aanleiding geeft om alsnog in actie te komen, maakt die termijnoverschrijding volgens vaste jurisprudentie niet verschoonbaar. Het beroep is daarom ongegrond.
Wet: art. 9.6 Wet IB 2001
Bron: Rechtbank Gelderland, 08-04-2026, ECLI:NL:RBGEL:2026:2641, AWB 24/6800 | NDFR





Geef een reactie