Partijen komen tijdens de zitting bij de rechtbank overeen wat het werkelijk rendement in box 3 bedraagt. Een later arrest van de Hoge Raad maakt de inspecteur niet vrij van deze vaststellingsovereenkomst.
Aan erflaatster is een aanslag IB/PVV 2018 opgelegd met een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen (box 3) van € 147.253. Na bezwaar stelt zij beroep in bij Rechtbank Zeeland-West-Brabant. Tijdens de procedure overlijdt zij; haar erfgenamen — een zoon en een dochter — zetten de procedure voort. Tijdens de zitting bij de rechtbank komen partijen overeen dat het werkelijk behaalde rendement over de bezittingen in box 3 in 2018 € 855 bedraagt. De rechtbank vermindert de aanslag dienovereenkomstig. De inspecteur gaat in hoger beroep en stelt dat het werkelijk rendement € 1.738 bedraagt, omdat de Hoge Raad nadien heeft geoordeeld dat bij de vaststelling van rendement op bezittingen geen rekening mag worden gehouden met kosten. Het geschil betreft de vraag of de inspecteur gebonden is aan het eerder overeengekomen bedrag en of hij een rentevergoeding moet betalen.
Inspecteur gebonden aan compromis
Gerechtshof ‘s-Hertogenbosch oordeelt dat de inspecteur gebonden is aan het tijdens de zitting bij de rechtbank overeengekomen werkelijk rendement van € 855. Partijen wilden een geschil over het werkelijk rendement voorkomen en onzekerheid vermijden door gezamenlijk dit bedrag vast te stellen. Er is daarmee sprake van een vaststellingsovereenkomst waarop het overeenkomstenrecht en de algemene beginselen van behoorlijk bestuur van toepassing zijn. De inspecteur heeft niet gesteld dat de overeenkomst nietig of vernietigbaar is. Het beroep op het nadien gewezen arrest van de Hoge Raad baat de inspecteur niet. Door het sluiten van de overeenkomst heeft de inspecteur de kans aanvaard dat uit latere jurisprudentie van de Hoge Raad anders zou volgen dan wat hij met erflaatsters erfgenamen over de kosten is overeengekomen.
Geen rentevergoeding verschuldigd
De inspecteur bestrijdt ook zijn veroordeling door de rechtbank tot betaling van een rentevergoeding over de periode tussen de betaling van de box 3-heffing en de terugbetaling daarvan. Het hof volgt de inspecteur hierin. De Hoge Raad heeft geoordeeld dat als regel kan worden aangenomen dat met de belastingvermindering passend en voldoende rechtsherstel wordt geboden, ook zonder vergoeding van rente. De uitzondering op deze regel — wanneer het beloop van de wettelijke rente meer is dan het bedrag van de belastingvermindering — doet zich hier niet voor. Partijen zijn het erover eens dat de wettelijke rente niet meer bedraagt dan de belastingvermindering. Het hof vernietigt daarom de beslissing van de rechtbank over de rentevergoeding.
Wet: art. 5.2 Wet IB 2001
Bron: Gerechtshof ‘s-Hertogenbosch, 25-03-2026, ECLI:NL:GHSHE:2026:805, 24/515 | NDFR





Geef een reactie