Hof Arnhem-Leeuwarden oordeelt dat een man niet de vereiste aangifte ib/pvv heeft gedaan. De inspecteur mag het forfaitaire voordeel uit aanmerkelijk belang baseren op een redelijke schatting van de waarde van de aandelen.
Een man woont tot december 2004 in Nederland, keert in 2009 terug en emigreert volgens zijn aangifte ib/pvv 2012 op 7 december 2012 naar het buitenland. Hij houdt alle aandelen in een buitenlandse nv, die indirect belangen heeft in vennootschappen die actief zijn met online kansspelen. Die deelnemingen keren in 2009 tot en met 2012 forse dividenden uit aan de nv. In zijn aangifte ib/pvv geeft de man een regulier voordeel uit aanmerkelijk belang van € 421.000 aan. De inspecteur vindt dat de aandelen in de nv veel meer waard zijn dan de man heeft gehanteerd en corrigeert het forfaitaire voordeel uit aanmerkelijk belang. In geschil is of de aanslag te hoog is vastgesteld.
Vereiste aangifte ontbreekt
Het hof oordeelt dat de man niet de vereiste aangifte heeft gedaan. Voor het forfaitaire voordeel uit aanmerkelijk belang moet worden gekeken naar de waarde in het economische verkeer van de aandelen. De man gaat uit van het eigen vermogen volgens de balans, maar daarin staan de deelnemingen slechts voor hun nominale waarde. Volgens het hof moet aan die deelnemingen op 1 januari 2012 ten minste € 4 miljoen worden toegekend. Daarbij kijkt het hof onder meer naar de dividenduitkeringen, e-mails van de belastingadviseur over een waarde van ongeveer € 15 miljoen en een latere verkooptransactie. Het verschil in verschuldigde belasting is absoluut en relatief aanzienlijk. De kennis van de belastingadviseur wordt aan de man toegerekend.
Schatting inspecteur is redelijk
Door het ontbreken van de vereiste aangifte geldt omkering en verzwaring van de bewijslast. De inspecteur moet de aanslag dan nog wel baseren op een redelijke schatting. Dat is hier volgens het hof het geval. De inspecteur gebruikt het zichtbare eigen vermogen, de ontvangen dividenden en de verkooptransactie in 2014. Ook mag hij aansluiten bij een EBIT-multiplier van 6,6, mede omdat in eerdere onderhandelingen multipliers van 4 tot 9 zijn genoemd. De man levert geen overtuigend tegenbewijs. Het door hem ingebrachte rapport bevat geen eigen waardebepaling. Het hof handhaaft daarom de aanslag.
Wet: art. 4.13 Wet IB 2001 en art. 27e AWR
Bron: Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 28-04-2026, ECLI:NL:GHARL:2026:2717, 20/85 | NDFR





Geef een reactie