A-G Koopman concludeert dat een tussengeschoven vennootschap de tbs-heffing niet tegenhoudt, zolang de belastingplichtige in beide bv’s de touwtjes in handen heeft. De man stelt het pand dan feitelijk indirect ter beschikking aan zijn eigen Catering bv.
De man en zijn partner bezitten samen een pand met een café-restaurant. Zij houden middellijk alle aandelen in Catering bv (hun ab-vennootschap). De aandelen in Café-Restaurant bv zitten in een STAK, met de certificaten bij hun vijf meerderjarige kinderen; het echtpaar bestuurt de STAK. Het pand verhuren zij grotendeels aan Café-Restaurant bv, die het doorverhuurt voor feesten en partijen, waarbij Catering bv in beginsel de catering verzorgt. De inspecteur legt over 2013 tot en met 2015 navorderingsaanslagen IB/PVV op. In geschil is of het pand feitelijk indirect ter beschikking is gesteld aan Catering bv, waarin de man wél een ab heeft.
Zeggenschap in beide bv’s beslissend
De zinsnede ‘rechtens dan wel in feite, direct of indirect’ moet voorkomen dat de tbs-regeling wordt ontgaan door een derde tussen te schuiven. Volgens de A-G telt de materiële werkelijkheid: is de tussengeschoven partij feitelijk niet meer dan een doorgeefluik? De door Hof Arnhem-Leeuwarden vastgestelde feiten laten geen andere conclusie toe dan dat het echtpaar het pand ter beschikking heeft gesteld. Op papier lijkt dat aan Café-Restaurant bv, maar zij hadden in beide vennootschappen de touwtjes in handen en konden het pand zo feitelijk voor Catering bv beschikbaar houden. Het hofoordeel getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting. De A-G concludeert tot ongegrondverklaring van het cassatieberoep.
Bron: Parket bij de Hoge Raad, 29-05-2026, ECLI:NL:PHR:2026:545, 25/02807 | NDFR





Geef een reactie