De Hoge Raad oordeelt dat dezelfde consultancygelden niet volledig tegelijk winst van vennootschappen én inkomen van de verdachte kunnen zijn. Het hof moet opnieuw beoordelen wie de gelden fiscaal heeft genoten.
Een man verricht consultancywerkzaamheden via een commanditaire vennootschap en een bv. De cv ontvangt in 2012 tot en met 2016 ruim € 917.000 van een recruitmentbureau. De bv ontvangt in 2016 ruim € 142.000. De man is middellijk beherend vennoot van de cv en middellijk enig aandeelhouder en bestuurder van de bv. Volgens het hof liggen de zeggenschap en het economisch belang volledig bij de man. Daarom merkt het hof de gelden aan als inkomen van de man voor de inkomstenbelasting én als winst van de cv en de bv voor de vennootschapsbelasting. In cassatie is in geschil of die dubbele toerekening juist is.
Geen dubbele fiscale toerekening
De Hoge Raad oordeelt dat het hof uitgaat van een onjuiste rechtsopvatting. Vennootschappen kunnen alleen vennootschapsbelastingplichtig zijn voor zover zij de gelden fiscaal zelf genieten. In dat geval kunnen diezelfde gelden niet tegelijkertijd en voor hetzelfde bedrag rechtstreeks door de man zijn genoten voor de inkomstenbelasting. Dat de man de zeggenschap en het economisch belang bij de vennootschappen heeft, is daarvoor onvoldoende. Ook moet het hof na terugwijzing beoordelen of de cv een open cv is. Alleen dan kan de cv vennootschapsbelastingplichtig zijn. De Hoge Raad vernietigt de hofuitspraak gedeeltelijk en wijst de zaak terug.
Wet: art. 69 AWR en art. 2 Wet Vpb 1969
Bron: Hoge Raad, 07-07-2026, ECLI:NL:HR:2026:1185, 23/03848 | NDFR





Geef een reactie