Rechtbank Noord-Holland verlaagt de belastingrente voor de vennootschapsbelasting omdat het wettelijke minimumtarief van 8% en 10% onverbindend is. De rente moet worden berekend volgens het algemene belastingrentepercentage.
Een bv krijgt begin 2024 een voorlopige aanslag vennootschapsbelasting 2021 opgelegd. Daarbij brengt de inspecteur € 33.927 aan belastingrente in rekening, berekend tegen 8% en vanaf 1 januari 2024 tegen 10%. De bv verzoekt om herziening van de rentebeschikking. Volgens haar is het Besluit belasting- en invorderingsrente onverbindend, omdat de daarin opgenomen rentepercentages voor de vennootschapsbelasting in strijd zijn met het evenredigheidsbeginsel. Nadat de Hoge Raad hierover arrest heeft gewezen, moet de rechtbank beoordelen welke belastingrente alsnog verschuldigd is.
Rente opnieuw berekend
De rechtbank sluit aan bij het arrest van de Hoge Raad van 16 januari 2026. Daarin is geoordeeld dat het minimumpercentage voor de belastingrente in de vennootschapsbelasting onverbindend is. Daarom moet het algemene belastingrentepercentage worden toegepast. Voor de periode van 1 juli 2022 tot en met 31 december 2023 geldt een rente van 4% en voor de periode van 1 januari 2024 tot en met 17 februari 2024 een rente van 4,5%. De rechtbank berekent de belastingrente daarom zelf opnieuw.
De rechtbank verlaagt de belastingrente van € 33.927 naar € 16.797. Daarmee volgt zij rechtstreeks de lijn van de Hoge Raad.
Wet: art. 30f en art. 30hb AWR
Bron: Rechtbank Noord-Holland, 31-03-2026, ECLI:NL:RBNHO:2026:3556, HAA 24/7969 | NDFR





Geef een reactie