De Hoge Raad oordeelt dat een beroep op het vertrouwensbeginsel objectief moet worden beoordeeld, niet subjectief. De inspecteur heeft bij de man het gerechtvaardigd vertrouwen gewekt dat hij in het begin van 2016 geen fiscaal inwoner van Nederland was.
Een man is sinds 2012 lid van de raad van bestuur van een vennootschap die destijds feitelijk in Monaco was gevestigd. Hij sluit een arbeidsovereenkomst met een Monegaskische kleindochtervennootschap en een managementovereenkomst met de vennootschap, waarbij hij 80% van zijn werktijd besteedt aan de kleindochtervennootschap en 20% aan zijn bestuurstaken (salary split). In 2013 trouwt hij met zijn Australische partner en woont met haar in Monaco. In april 2016 wordt hij voor een tweede termijn CFO van de vennootschap, die inmiddels haar hoofdkantoor naar Nederland heeft verplaatst. In geschil is of de man in de periode van 1 januari tot 18 april 2016 fiscaal inwoner van Nederland was, of de inspecteur daarover eerder vertrouwen heeft gewekt, of een ruling ook zag op al genoten RSU’s, en of het gelijkheidsbeginsel is geschonden ten opzichte van medebestuurders met een vergelijkbare salary split.
Objectieve toets vertrouwensbeginsel
Hof ‘s-Hertogenbosch achtte aannemelijk dat de man ook in de eerste periode een duurzame band van persoonlijke aard met Nederland had en dus fiscaal inwoner was. Het Hof verwierp bovendien zijn beroep op het vertrouwensbeginsel, omdat de man dit pas ter zitting in hoger beroep voor het eerst had aangevoerd. De Hoge Raad oordeelt dat het Hof hiermee een onjuiste, subjectieve maatstaf heeft gehanteerd. Vertrouwen moet objectief worden beoordeeld: was sprake van toezeggingen of gedragingen van de inspecteur waaruit de man redelijkerwijs kon afleiden hoe deze een bevoegdheid zou uitoefenen? Uit de stukken blijkt dat de inspecteur in de aanslag- en bezwaarfase steeds uitdrukkelijk het standpunt innam dat de man in de eerste periode niet in Nederland woonde, gebaseerd op eigen onderzoek naar het gehele jaar. Daarmee is bij de man een in rechte te beschermen vertrouwen gewekt. Dit middel slaagt.
Ruling en gelijke gevallen
Ook de overige middelen slagen gedeeltelijk. Het Hof beoordeelde alleen een brief van 21 december 2016 over de RSU’s, en liet de ruling zelf onbesproken, terwijl de man had gesteld dat juist de ruling op zichzelf al vertrouwen wekte dat de RSU’s onbelast zouden blijven. Dit is een motiveringsgebrek. Verder had de man aangevoerd dat twee medebestuurders, evenals hijzelf, niet in Nederland woonden en toch een vergelijkbare salary split kenden, zodat het gelijkheidsbeginsel is geschonden. Het Hof verwierp dit zonder inzicht te geven in de gehanteerde vergelijkingsmaatstaf, mede omdat stukken over de medebestuurders vertrouwelijk moesten blijven. De Hoge Raad oordeelt dat het Hof, gelet op het gewekte vertrouwen over de woonplaats, had moeten onderzoeken of deze medebestuurders inwoner waren van een land zonder relevant verdrag met Nederland. Het oordeel is onvoldoende gemotiveerd. De Hoge Raad vernietigt de hofuitspraak en verwijst de zaak naar Hof Arnhem-Leeuwarden.
Wet: art. 7.2 Wet IB 2001 en art. 4 AWR
Bron: Hoge Raad, 07-08-2026, ECLI:NL:HR:2026:1340, 24/03206 | NDFR






Geef een reactie