Hof Den Bosch oordeelt dat het samenstel van rechtshandelingen waarmee kinderen hun vordering op vaders bv via een stichting administratiekantoor (STAK) certificeren, kwalificeert als een in het maatschappelijk verkeer ongebruikelijke terbeschikkingstelling. Ook het vermogen dat de kinderen nadien onderbrengen in een Curaçaose stichting particulier fonds (SPF) behoort tot hun box 3-grondslag.
Een man en zijn broer en zus krijgen certificaten van een vordering op de bv van hun vader, nadat zij deze vordering in 2011 via een certificeringsakte hebben overgedragen aan een stichting. De voorwaarden zijn streng: de certificaten zijn onvervreemdbaar, rente en aflossing worden bijgeschreven en zijn pas opeisbaar bij overlijden van de langstlevende ouder, en aflossingen moeten direct worden doorgeleend aan de ouders op straffe van een boete van 1 miljoen euro. Eind 2015 lost de bv de vordering af, lenen de kinderen het bedrag door aan hun ouders en schenken zij deze nieuwe vordering aan de SPF. De inspecteur merkt de vordering voor 2013 tot en met 2015 aan als ongebruikelijke terbeschikkingstelling in de zin van artikel 3.92, derde lid, Wet IB 2001 en belast de rente als resultaat uit overige werkzaamheden. Voor 2016 rekent hij het vermogen in de SPF tot de rendementsgrondslag van box 3 bij de man. In geschil is of hiervan terecht sprake is en of de SPF-vordering in 2016 tot de box 3-grondslag van de man behoort.
Certificering met strikte voorwaarden ongebruikelijk
Het hof stelt voorop dat bij de beoordeling van artikel 3.92, derde lid, Wet IB 2001 niet alleen de terbeschikkingstellingshandeling zelf telt, maar het hele samenstel van rechtshandelingen. De kinderen konden niet vrij over hun certificaten beschikken, moesten aflossingen verplicht doorlenen aan de ouders en verpandden de certificaten bovendien aan hen. Dit alles is opgezet om de ouders zeggenschap te laten houden en om heffing op grond van het APV-regime te ontlopen. Een dergelijk samenstel van voorwaarden zou tussen niet-verwante partijen niet voorkomen, aldus het hof, en leidt bovendien tot box-arbitrage omdat de daadwerkelijke rente van 6% hoger is dan het forfaitaire rendement in box 3. Het beroep op afwaardering van de rente wijst het hof af, omdat de man niet onderbouwt waarom de rente een lagere waarde zou hebben dan de nominale 6%.
Vermogen SPF hoort tot box 3
Voor 2016 oordeelt het hof dat vader feitelijk namens de kinderen over het vermogen in de SPF bleef beschikken als ware het zijn eigen vermogen. Het formele bestuur van de SPF handelt uitsluitend in opdracht van vader, verricht slechts administratieve werkzaamheden en aanvaardt geen enkele aansprakelijkheid, ook niet voor kleinere beslissingen zoals het openen van een bankrekening. Daaruit leidt het hof af dat sprake is van een grote regie vanuit vader, waardoor geen sprake is van een afgezonderd particulier vermogen in de zin van artikel 2.14a Wet IB 2001. De inspecteur heeft het vermogen daarom terecht tot de box 3-grondslag van de man gerekend.
Wet: art. 2.14a en art. 3.92 Wet IB 2001
Bron: Gerechtshof ‘s-Hertogenbosch, 01-07-2026, ECLI:NL:GHSHE:2026:1720, 24/553 tot en met 24/556 | NDFR





Geef een reactie