Rechtbank Noord-Holland oordeelt dat de kapitalisatiefactor uit het Uitvoeringsbesluit Successiewet ook geldt voor een vruchtgebruik dat na uiterlijk één jaar eindigt. Toch wordt het beroep van de zoon gegrond verklaard, omdat de inspecteur tijdens de procedure alsnog rekening houdt met eigenaarslasten.
Een vader legateert zijn zoon bij testament het recht om na zijn overlijden gedurende één jaar de woning, tuin en overige gebouwen op het erf te blijven gebruiken. De zoon woont met zijn gezin al bij zijn vader op het erf en hoeft voor het gebruik niets te betalen, maar moet wel alle eigenaarslasten zoals gemeentelijke belastingen, hypotheekrente en de opstalverzekering dragen. De woning heeft in het overlijdensjaar een WOZ-waarde van € 512.000 en wordt later verkocht voor € 635.042. De inspecteur waardeert het legaat aanvankelijk op de volledige WOZ-waarde, maar vermindert dit bij de uitspraak op bezwaar tot € 23.040 met toepassing van een kapitalisatiefactor van 0,75. De zoon vindt dat deze factor niet mag worden toegepast omdat het om een tijdelijk gebruiksrecht van maximaal één jaar gaat, en wil het legaat gewaardeerd zien op een nettovoordeel van ongeveer € 10.000 tot € 12.000.
Geen levenslang vereist voor factor
De rechtbank volgt de inspecteur in het standpunt dat artikel 6 UBSW ook geldt voor het legaat van de zoon. Het zinsdeel over een recht dat afhankelijk is van het leven van een persoon betekent niet dat het vruchtgebruik levenslang moet duren, maar dat het eindigt bij een eventueel eerder overlijden van de vruchtgebruiker. Omdat de waarde van de woning van € 512.000 niet in geschil is, wordt het vruchtgebruik op grond van artikel 10 UBSW gewaardeerd op 6% daarvan. Gelet op de leeftijd van de zoon, 63 jaar bij het overlijden van zijn vader, past de inspecteur daarop terecht een kapitalisatiefactor van 0,75 toe.
Eigenaarslasten verlagen waarde alsnog
Tijdens de procedure erkent de inspecteur dat op de waarde van het vruchtgebruik nog € 2.310 aan eigenaarslasten in mindering moet worden gebracht. De rechtbank sluit zich hierbij aan en stelt de waarde van het legaat vast op 512.000 x 0,06 x 0,75 -/- 2.310 = € 20.730. Daardoor komt de belaste verkrijging uit op € 142.713. Omdat de aanslag hierdoor alsnog wordt verminderd, verklaart de rechtbank het beroep gegrond en vernietigt zij de uitspraak op bezwaar.
Wet: art. 21, lid 5 en art. 21, lid 14 Successiewet 1956 en art. 5, 6 en 10 Uitvoeringsbesluit Successiewet 1956
Bron: Rechtbank Noord-Holland, 18-06-2026, ECLI:NL:RBNHO:2026:7687, AWB – 25 _ 5831 | NDFR




Geef een reactie