Rechtbank Zeeland-West-Brabant oordeelt dat de vrijval van een lijfrenteverplichting door overlijden leidt tot een fictieve verkrijging. Artikel 13a SW geldt ook als geen sprake is van misbruik.
Een vrouw bezit alle aandelen in een bv. Haar zus bezit alle aandelen in een andere bv. Via deze bv’s houden zij certificaten in een vennootschap waarin een lijfrenteverplichting is ondergebracht. Die verplichting vindt haar oorsprong in een aandelentransactie uit 1997. De uitkering loopt eerst voor een man en na zijn overlijden voor zijn echtgenote. De echtgenote overlijdt op 6 augustus 2022. Door haar overlijden valt de lijfrenteverplichting vrij en stijgen de aandelen in waarde. De vrouw geeft in haar aangifte erfbelasting een fictieve verkrijging van € 143.335 aan, maar betwist later dat artikel 13a SW van toepassing is.
Vrijval door overlijden
De rechtbank volgt de inspecteur. Beslissend is of de aandelen door het overlijden in waarde stijgen. Dat de lijfrenteverplichting vervalt op basis van eerder overeengekomen voorwaarden, maakt niet dat de waardestijging een andere oorzaak heeft. Uit de parlementaire geschiedenis volgt juist dat artikel 13a SW ook ziet op vrijval van lijfrenteverplichtingen. Ook hoeft geen sprake te zijn van een constructie om erfbelasting te ontwijken. De wetgever heeft de regeling niet beperkt tot misbruiksituaties. Het beroep op het EVRM slaagt evenmin: de beperking tot de familiekring van artikel 13a SW is volgens de rechtbank niet evident zonder redelijke grond. De aanslag erfbelasting blijft daarom in stand.
Wet: art. 13a SW 1956
Bron: Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 18-06-2026, ECLI:NL:RBZWB:2026:5371, BRE 25/1996 | NDFR





Geef een reactie