Rechtbank Gelderland oordeelt dat de vader als bloedverwant in de rechte lijn geen recht heeft op de partnervrijstelling. Het van de zoon verkregen aandeel in de woning, gefinancierd met smartengeld, behoort ook tot de grondslag van de erfbelasting.
Een vader is de erfgenaam van zijn zoon, die zijn leven lang ongewild partner- en kinderloos is gebleven als gevolg van medische fouten. De zoon ontving hiervoor smartengeld en kocht daarmee in 2015 een aandeel in de woning van zijn vader, dat hij liet verbouwen tot aanleunwoning met eigen woonunit. Bij testament legateerde de zoon het recht van gebruik en bewoning van zijn aandeel aan zijn vader. Tot het overlijden van de zoon verleenden de vader en zijn dochter mantelzorg. Na het overlijden legt de inspecteur een aanslag erfbelasting op over het aandeel in de woning. In geschil is of dit aandeel tot de grondslag van de erfbelasting behoort en of de vader recht heeft op de partnervrijstelling.
Aandeel in woning belast met erfbelasting
De rechtbank oordeelt dat alles wat krachtens erfrecht wordt verkregen belast is met erfbelasting, ook het aandeel in de woning dat met smartengeld is gefinancierd. De wet biedt geen ruimte om onderscheid te maken naar de herkomst van het verkregen vermogen. Dat is een bewuste keuze van de wetgever, omdat de rechtvaardiging voor de erfbelasting ligt in de vermeerdering van de draagkracht van de verkrijger.
Geen partnervrijstelling voor de vader
Het beroep op het discriminatieverbod van artikel 14 EVRM verwerpt de rechtbank, omdat de Hoge Raad al heeft geoordeeld dat uitsluiting van bloedverwanten in de rechte lijn als partner niet discriminerend is. Ook het beroep op artikel 8 EVRM (family life) slaagt niet: de vader stelt geen feiten die zien op een beperking van zijn eigen gezinsleven, alleen op de situatie van zijn overleden zoon. Tot slot verwerpt de rechtbank het beroep op het evenredigheidsbeginsel, omdat de wetgever de uitsluiting van bloedverwanten bewust en volledig heeft afgewogen. Het beroep is ongegrond en de aanslag blijft in stand.
Wet: art. 1 Successiewet 1956 en art. 8 en art. 14 EVRM
Bron: Rechtbank Gelderland, 29-07-2026, ECLI:NL:RBGEL:2026:6244, ARN 24/7924 | NDFR





Geef een reactie