Gerechtshof ’s-Hertogenbosch oordeelt dat een dga die werkruimtes in zijn woning tegen vergoeding ter beschikking stelt aan zijn bv, ondernemer is voor de omzetbelasting. De dga kan daarom samen met zijn holding en bv een fiscale eenheid voor de omzetbelasting vormen.
Een dga is eigenaar van een woning en verhuurt sinds 2009 verschillende ruimtes daarvan aan een bv. Het gaat onder meer om een werkkamer, garage, kantoor- en archiefruimte en sanitaire voorzieningen. Hiervoor is een schriftelijke huurovereenkomst gesloten. De bv betaalt maandelijks € 2.000. De dga is in dienst bij zijn holding en verricht vanuit de woning werkzaamheden voor de bv. In 2021 verzoekt hij om samen met de holding en de bv te worden aangemerkt als fiscale eenheid voor de omzetbelasting. De inspecteur weigert de dga daarin op te nemen, omdat hij volgens de inspecteur geen btw-ondernemer is. In geschil is of de verhuur een zelfstandige economische activiteit vormt en de dga daardoor onderdeel kan zijn van de fiscale eenheid.
Verhuur is economische activiteit
Het hof oordeelt dat sprake is van een economische activiteit. De ruimtes zijn daadwerkelijk ongeveer vijftien jaar verhuurd en de dga ontvangt daarvoor iedere maand € 2.000. Daarmee worden de ruimtes duurzaam geëxploiteerd om opbrengst te verkrijgen. Dat de ruimtes onderdeel zijn van de eigen woning en deels ook toegankelijk zijn voor medebewoners, maakt dat niet anders. Ook hoeft de vergoeding niet gelijk te zijn aan de kostprijs of marktprijs. Van belang is dat een reëel verband bestaat tussen de verhuur en de vergoeding. Dat verband is volgens het hof aanwezig.
Dga handelt zelfstandig bij verhuur
Ook handelt de dga bij de verhuur zelfstandig. Dat hij directeur en grootaandeelhouder is, de ruimtes voor werkzaamheden van de bv worden gebruikt en de vergoeding voor de loonheffingen als loon is behandeld, betekent niet dat de verhuur onderdeel is van zijn dienstbetrekking. Uit de schriftelijke huurovereenkomst en de maandelijkse betalingen blijkt juist dat hij de ruimtes buiten zijn arbeidsovereenkomst om ter beschikking stelt. De dga is daarom btw-ondernemer. Het hof bevestigt dat hij vanaf 1 juli 2022 samen met de holding en de bv een fiscale eenheid voor de omzetbelasting vormt. Het hoger beroep van de inspecteur is ongegrond.
Wet: art. 7 lid 1, 2 en 4 Wet OB 1968 en art. 9 en 10 Btw-richtlijn 2006
Bron: Gerechtshof ‘s-Hertogenbosch, 15-07-2026, ECLI:NL:GHSHE:2026:1840, 24/852 | NDFR





Geef een reactie