De Hoge Raad oordeelt dat een stichting die de tuchtcolleges van de advocatuur ondersteunt, btw-belaste diensten verricht. De kostendekkende bijdrage die zij van de NOvA ontvangt, vormt de vergoeding voor die diensten en is geen onbelaste subsidie.
Een stichting ondersteunt de tuchtrechtspraak voor advocaten. Zij zorgt onder meer voor griffiers, administratief personeel, zittingszalen, werkplekken, catering, beveiliging, websites, publicatie van uitspraken en persvoorlichting. Sinds 1 januari 2018 betaalt de Nederlandse orde van advocaten (NOvA) jaarlijks een kostendekkende bijdrage aan de stichting. De inspecteur deelt de stichting mee dat zij vanaf 1 januari 2019 aangifteplichtig is voor de omzetbelasting en btw moet voldoen over die bijdrage. De stichting doet dat, maar maakt bezwaar tegen de voldoeningen over 2019 en 2020 en tegen een naheffingsaanslag omzetbelasting over het eerste kwartaal van 2020. In geschil is of de stichting btw-belaste diensten verricht.
Zelfstandige economische activiteit
De Hoge Raad oordeelt dat de stichting zelfstandig handelt. Zij sluit in eigen naam contracten, heeft eigen werknemers in dienst en ontvangt zelf de bijdrage van de NOvA. Dat griffiers inhoudelijk verantwoording afleggen aan de tuchtcolleges en dat sprake is van intensief overleg, maakt de stichting niet ondergeschikt aan die tuchtcolleges. Ook draagt de stichting bedrijfsrisico. Dat haar werkzaamheden wettelijk zijn ingebed en dienstbaar zijn aan tuchtrechtspraak, sluit zelfstandigheid voor de omzetbelasting niet uit.
Bijdrage NOvA is vergoeding
De stichting verricht volgens de Hoge Raad diensten in het economische verkeer. Haar werkzaamheden omvatten meer dan alleen griffierswerkzaamheden en kunnen ook door andere dienstverleners op een algemene markt worden aangeboden. De tuchtcolleges zijn de directe begunstigden en krijgen een concreet voordeel. Dat de werkzaamheden mede het algemeen belang dienen, voorkomt niet dat sprake is van verbruik en van een rechtstreeks verband tussen de diensten en de bijdrage van de NOvA. Het cassatieberoep is ongegrond. Wel krijgt de stichting € 1.500 immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn.
Wet: art. 1; art. 2; art. 4 en art. 7 Wet OB 1968
Bron: Hoge Raad, 19-06-2026, ECLI:NL:HR:2026:959, 23/00291 | NDFR





Geef een reactie