Hof Arnhem-Leeuwarden oordeelt dat bij box 3-rechtsherstel over het werkelijke rendement geen rekening wordt gehouden met het heffingvrije vermogen. De inspecteur heeft wel de hoorplicht geschonden.
De erfgenamen van een in 2022 overleden man maken bezwaar tegen de aanslagen IB/PVV 2020 en 2021 en verzoeken daarbij te worden gehoord. De inspecteur nodigt hun gemachtigde uit voor een hoorgesprek, maar geeft daarvoor slechts enkele dagen de tijd. De gemachtigde heeft ernstige gehoorproblemen, waardoor telefonisch horen of videobellen geen optie is. De inspecteur doet vervolgens uitspraak op bezwaar zonder dat een hoorgesprek heeft plaatsgevonden. In beroep wordt het box 3-inkomen verminderd tot het werkelijke rendement van € 5.102 voor 2020 en € 4.924 voor 2021. In hoger beroep stellen de erfgenamen onder meer dat op dit werkelijke rendement nog het heffingvrije vermogen in mindering moet komen.
Hoorplicht geschonden
Het hof oordeelt dat de inspecteur een onaanvaardbaar korte termijn heeft gegeven voor het hoorgesprek. Daarbij was bekend dat vanwege de gehoorproblemen van de gemachtigde alleen een fysiek gesprek mogelijk was. De inspecteur heeft de hoorplicht daarom geschonden. Het hof wijst de zaak echter niet terug, omdat dit gezien het resterende juridische geschil alleen tot een herhaling van zetten zou leiden.
Geen heffingvrij vermogen
Het hof volgt de rechtspraak van de Hoge Raad over het box 3-rechtsherstel. Het werkelijke rendement wordt berekend over het gehele vermogen in box 3, zonder aftrek van het heffingvrije vermogen. De inspecteur heeft het box 3-inkomen daarom terecht vastgesteld op het volledige werkelijke rendement. Het hoger beroep is ongegrond.
Wet: art. 7:2 Awb, art. 25 AWR en art. 5.1, 5.2, 5.3 en 5.5 Wet IB 2001
Bron: Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 04-08-2026, ECLI:NL:GHARL:2026:5195, 25/1152 en 25/1153 | NDFR




Geef een reactie