De Kennisgroep dividendbelasting en bronbelasting en de Kennisgroep IBR Vpb & winst hebben gezamenlijk een vraag beantwoord over de toepassing van de misbruiktoets in artikel 4, derde lid, onderdeel c van de Wet op de dividendbelasting 1965.
A is woonachtig in een lidstaat van de Europese Unie. A houdt 100% van de aandelen in de naar het recht van de EU-lidstaat opgerichte en aldaar feitelijk gevestigde X EU. De rechtsvorm van X EU is opgenomen in bijlage 1, deel A, van de Moeder-dochterrichtlijn, Richtlijn 2011/96/EU, laatstelijk gewijzigd bij Richtlijn (EU) 2015/121. X EU houdt de aandelen in Y BV. Y BV is opgericht naar Nederlands recht en is ook feitelijk gevestigd in Nederland. Y BV drijft een materiële onderneming.
De structuur kan als volgt worden weergegeven:

X EU houdt een bankrekening in de EU-lidstaat aan. Ook de boekhouding van X EU wordt in de EU-lidstaat gevoerd. Daarnaast wordt aan X EU een kantoorruimte in het woonhuis van A in de EU-lidstaat ter beschikking gesteld tegen een zakelijke vergoeding.
Voor dit standpunt wordt op hoofdlijnen een opsomming gegeven van de werkzaamheden van A en X EU in relatie tot Y BV op basis van het door de inspecteur verrichte feitenonderzoek van de door X EU en Y BV onderbouwde feiten en omstandigheden. Deze kunnen als volgt worden samengevat:
- A is in dienstbetrekking bij X EU en tevens statutair bestuurder van X EU. De andere bestuurder van X EU is een natuurlijk persoon woonachtig in Nederland. Beide bestuurders hebben een volledig mandaat. A voert structureel hoofdzakelijk strategische, bestuurlijke en financiële werkzaamheden uit ten behoeve van X EU. Deze werkzaamheden leiden bij X EU tot een hoger rendement dan bij normaal vermogensbeheer kan worden verwacht. Voor deze werkzaamheden ontvangt A van X EU een zakelijk salaris. Het salaris bedraagt op jaarbasis € 75.000.
- De werkzaamheden van A als bestuurder van X EU worden verricht vanuit de daarvoor ingerichte kantoorruimte in het woonhuis van A in de EU-lidstaat.
- Op basis van een zakelijke managementovereenkomst tussen X EU en Y BV oefent X EU strategisch toezicht uit op de operationele werkzaamheden van Y BV en op de aansturing van personeelsleden. Deze werkzaamheden worden namens X EU verricht door A. X EU ontvangt voor de werkzaamheden een zakelijke vergoeding.
- A stelt ieder jaar een budget en het financiële doel voor Y BV vast. Daarnaast is A verantwoordelijk voor het vaststellen van de jaarrekening van Y BV.
Y BV is voornemens een dividend aan X EU uit te keren.
Vraag
Is sprake van misbruik als bedoeld in artikel 4, derde lid, onderdeel c van de Wet op de dividendbelasting 1965 met als gevolg dat de inhoudingsvrijstelling van artikel 4, tweede lid, Wet DB 1965 niet van toepassing is op de voorgenomen dividenduitkering?
Antwoord
Of sprake is van misbruik vergt een weging van alle relevante feiten en omstandigheden van de casus vanaf de totstandkoming van de structuur. De in deze casus onderbouwde feiten en omstandigheden wijzen er samen op dat geen sprake is van misbruik, zodat de inhoudingsvrijsteling van toepassing is op de voorgenomen dividenduitkering.





Geef een reactie