Hof Den Haag oordeelt dat het Brandweermanarrest geen nieuwe jurisprudentie vormt ten opzichte van het Smeerkuilarrest. Een brandweervrijwilliger heeft daarom alsnog recht op ambtshalve vermindering van zijn aanslag over 2020.
Een vrijwilliger bij de brandweer raakt in 2012 betrokken bij een ongeval en houdt daaraan 4% blijvende invaliditeit aan zijn schouder over. Op grond van een ongevallenverzekering ontvangt hij via de veiligheidsregio in 2020 € 2.037 en in 2021 € 51. Hij geeft de bedragen aan als loon uit vroegere dienstbetrekking. Na het Brandweermanarrest van de Hoge Raad uit 2022 verzoekt hij om ambtshalve vermindering. De inspecteur wijst het verzoek voor 2020 af, omdat het arrest volgens hem nieuwe jurisprudentie is die dateert van nadat de aanslag onherroepelijk vaststaat. In geschil is of het Brandweermanarrest inderdaad als nieuwe jurisprudentie geldt.
Brandweermanarrest verduidelijkt hoofdregel
Het hof vergelijkt het Brandweermanarrest met het Smeerkuilarrest uit 1983. Daarin oordeelde de Hoge Raad al dat vergoedingen van een werkgever wegens immateriële schade en verlies aan arbeidskracht in beginsel geen loon zijn. In het Brandweermanarrest herhaalt de Hoge Raad deze hoofdregel en verduidelijkt hij wanneer daarop een uitzondering geldt. Die uitzondering doet zich voor als de werkgever een hogere vergoeding toekent dan rechtstreeks uit zijn aansprakelijkheid voortvloeit. Volgens het hof wijkt deze uitleg niet af van de rechtsregel uit het Smeerkuilarrest. Het Brandweermanarrest vormt daarom geen nieuwe jurisprudentie.
Ambtshalve vermindering voor 2020
De inspecteur erkent dat de werkgever niet meer heeft uitgekeerd dan uit zijn aansprakelijkheid voortvloeit en dat de ontvangen vergoeding volgens het Brandweermanarrest geen belastbaar loon vormt. Omdat geen sprake is van nieuwe jurisprudentie, staat art. 45aa UR IB 2001 niet aan ambtshalve vermindering in de weg. Het hoger beroep van de man is gegrond. Het hof verlaagt zijn belastbare inkomen uit werk en woning over 2020 met € 2.037 van € 66.629 naar € 64.592.
Wet: art. 9.6 Wet IB 2001
Bron: Gerechtshof Den Haag, 01-09-2026, ECLI:NL:GHDHA:2026:2777, BK-25/751 | NDFR





Geef een reactie