Rechtbank Gelderland oordeelt dat de ontvanger de invorderingskosten terecht in rekening heeft gebracht. De man had geen uitstel van betaling voor de voorlopige aanslagen IB/PVV 2023 en 2024, ondanks zijn bezwaar tegen de aanslag over 2017.
Een man die in de Filipijnen woont, maakt bezwaar tegen zijn aanslag IB/PVV 2017 over box 3 en schrijft daarbij dat hij ook voor alle volgende jaren bezwaar maakt. De inspecteur bevestigt dat hij uitstel van betaling krijgt en laat later weten dat zijn bezwaar meeloopt in de massaalbezwaarplus-procedure. Beide berichten gaan over het jaar 2017. Ondertussen legt de inspecteur voorlopige aanslagen IB/PVV op over 2024 (€ 3.739) en 2023 (€ 1.242). De man betaalt deze niet op tijd en verzoekt ook niet om uitstel. De ontvanger stuurt daarom aanmaningen en vaardigt dwangbevelen uit, waarbij hij aanmanings- en betekeningskosten in rekening brengt. De man en de ontvanger verschillen van mening over de vraag of de ontvanger deze invorderingskosten terecht in rekening heeft gebracht.
Geen uitstel voor aanslagen 2023 en 2024
Rechtbank Gelderland oordeelt dat de ontvanger terecht invorderingskosten in rekening heeft gebracht. De man heeft de voorlopige aanslagen IB/PVV 2023 en 2024 niet op tijd betaald en heeft ook niet om uitstel van betaling verzocht. Daarom zijn de aanmanings- en dwangbevelkosten terecht opgelegd. Dat de man bezwaar had gemaakt tegen de aanslag over 2017 en daarbij ook bezwaar wilde maken voor alle volgende jaren, verandert dat niet. Tegen voorlopige aanslagen kan namelijk geen bezwaar worden gemaakt. Bovendien blijkt uit de brieven van de inspecteur en de website van de Belastingdienst duidelijk dat het uitstel van betaling alleen gold voor de belastingjaren 2017 tot en met 2020. De man had dus moeten weten dat hij voor de aanslagen over 2023 en 2024 geen uitstel had, ook zonder dat de inspecteur hem daar apart op wees.
Geen vertrouwen door Belastingtelefoon
Ook het beroep op het vertrouwensbeginsel slaagt niet. De man stelt dat een medewerker van de Belastingtelefoon heeft bevestigd dat hij uitstel van betaling had en niet hoefde te reageren op de aanmaningen en dwangbevelen. De rechtbank vindt dat de man niet aannemelijk maakt dat er een ongeclausuleerde toezegging is gedaan waaraan hij vertrouwen kon ontlenen. Zijn verklaring over het telefoongesprek is namelijk veel te vaag: hij weet niet meer met wie hij sprak of waar het gesprek precies over ging. Daarbij heeft de ontvanger onderzoek gedaan en alleen een registratie gevonden van een telefoongesprek op 19 november 2024, dus ná het opleggen van de invorderingskosten. De beroepen zijn ongegrond en de invorderingskosten blijven in stand. De man krijgt het griffierecht niet terug en krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.
Wet: Artikel 11 – Invorderingswet 1990 | NDFR en Artikel 12 – Invorderingswet 1990 | NDFR, Artikel 9.5 – Wet inkomstenbelasting 2001 | NDFR en Artikel 6.10 – Algemene wet bestuursrecht | NDFR





Geef een reactie