Hof Arnhem-Leeuwarden oordeelt dat de inspecteur bevoegd is om over 2016 na te vorderen, ook al is de man niet uitgenodigd tot het doen van aangifte en heeft hij die aangifte niet ingediend. Op de inspecteur rust in dit geval geen onderzoeksplicht.
Een man woont in Zweden en is sinds 2010 eigenaar van een aantal in Nederland gelegen onroerende zaken. Door die panden is hij van 2011 tot en met 2016 buitenlands belastingplichtig voor de IB/PVV. In 2017 verhuist hij naar Nederland. De inspecteur nodigt hem over de jaren 2010 tot en met 2016 niet uit om aangifte te doen. Toch dient de man over vrijwel al die jaren spontaan een aangifte in, behalve over 2016. Die aangifte staat klaar in de software, maar wordt per abuis niet verstuurd. De inspecteur legt daarom eind 2021 een navorderingsaanslag IB/PVV 2016 op. In geschil is of de inspecteur bevoegd is na te vorderen en of hij een onderzoeksplicht had.
Geen onderzoeksplicht bij navordering
Het hof toetst of de inspecteur beschikt over een nieuw feit. Dat beoordeelt het hof naar het moment waarop uiterlijk een primitieve aanslag kon worden opgelegd: 31 december 2019. Het hof merkt het bezit van de Nederlandse onroerende zaken op 1 januari 2016 aan als nieuw feit. De man betoogt dat zijn aanmelding voor de becon-regeling geldt als een verzoek om een uitnodiging tot het doen van aangifte, waardoor de inspecteur een onderzoeksplicht heeft. Het hof volgt dit niet. Aanmelding voor de becon-regeling is uitsluitend een verzoek om uitstel, niet een verzoek om een uitnodiging tot het doen van aangifte. De man kiest er steeds voor spontaan aangifte te doen zonder een uitnodiging te vragen. Het risico dat de aangifte niet wordt verzonden, komt voor zijn rekening. De inspecteur hoeft dan geen nader onderzoek te doen.
Geen toezegging, aanslag verlaagd
De man doet subsidiair een beroep op het vertrouwensbeginsel. Volgens hem heeft de aanslagregelaar tijdens een telefoongesprek in januari 2021 toegezegd dat over 2016 niet zou worden nagevorderd. Het hof acht die toezegging niet aannemelijk. De handgeschreven notitie en de e-mail van januari 2021 leggen alleen summier de afspraken over de IB/PVV 2017 vast; over 2016 staat daarin niets. Het principaal hoger beroep van de inspecteur is gegrond en het incidenteel hoger beroep van de man over de proceskosten ongegrond. Het hof vernietigt de uitspraak van de rechtbank. Het hof vermindert wel de navorderingsaanslag nog omdat partijen het er over eens zijn dat deze te hoog is. De eerder toegekende integrale kostenvergoeding voor de bezwaarfase blijft in stand.
Wet: Artikel 16 – Algemene wet inzake rijksbelastingen | NDFR, Artikel 8 – Algemene wet inzake rijksbelastingen | NDFR en Art. 6 – Algemene wet inzake rijksbelastingen | NDFR
Bron: Hof Arnhem-Leeuwarden 7 juli 2026 (gepubliceerd 30 juli 2026), ECLI:NL:GHARL:2026:4496, 24/1583





Geef een reactie