Rechtbank Gelderland oordeelt dat twee leningen van een dga bij zijn eigen bv niet kwalificeren als eigenwoningschuld. Doordat in de contracten opnieuw een looptijd van 360 maanden is afgesproken, wordt de maximale termijn van artikel 3.119c Wet IB 2001 overschreden.
Een man is samen met zijn echtgenote sinds 2015 eigenaar van een woning. Voor de aankoop sluit hij bij een bank een annuïtaire lening van € 1.500.000 met een looptijd van 360 maanden (tot 31 augustus 2045). De man is enig aandeelhouder en bestuurder van een bv. In 2019 en 2020 sluit hij bij zijn bv twee leningen van elk € 300.000 (lening IV en V), eveneens met een contractuele looptijd van 30 jaar en een annuïtaire aflossingsverplichting. Met deze bedragen lost hij een deel van de banklening af. In januari 2022 worden alle leningen volledig afgelost via een dividenduitkering. In geschil is of de rente op de leningen bij de bv in 2019 en 2020 (€ 2.014 respectievelijk € 8.942) aftrekbaar is als eigenwoningrente.
Contractuele looptijd is beslissend
De rechtbank stelt voorop dat voor aftrek van rente sprake moet zijn van een eigenwoningschuld in de zin van art. 3.119a Wet IB 2001. Daarvoor geldt onder meer dat de schuld in maximaal 360 maanden volledig en ten minste annuïtair wordt afgelost. Wordt een lening vervangen door een nieuwe schuld, dan mag de nieuwe looptijd niet langer zijn dan de resterende looptijd van de oude schuld.
De leningen bij de bv zijn feitelijk een voortzetting van de oorspronkelijke banklening. Toch is in de nieuwe leenovereenkomsten opnieuw een looptijd van 360 maanden opgenomen, zonder rekening te houden met de al verstreken looptijd van de banklening. Daarmee overschrijdt de totale looptijd de wettelijke maximumtermijn. Dat de man de leningen in 2022 volledig aflost met een dividenduitkering, maakt dit niet anders. Voor de kwalificatie als eigenwoningschuld is de contractuele verplichting bepalend, niet de feitelijke aflossing.
De inspecteur heeft daarom terecht de renteaftrek geweigerd bij de navorderingsaanslag IB/PVV 2019 en de aanslag IB/PVV 2020. De beroepen zijn ongegrond.
Wet: art. 3.119a en art. 3.119c Wet IB 2001
Bron: Rechtbank Gelderland, 11-02-2026, ECLI:NL:RBGEL:2026:995, AWB 25_145 | NDFR





Geef een reactie