Rechtbank Noord-Nederland oordeelt dat bij het bepalen van het werkelijke rendement in box 3 ook ongerealiseerde waardestijgingen van effectendepots meetellen.
Een man en zijn partner zijn in 2020 en 2021 het hele jaar fiscaal partner. De inspecteur legt over 2020 en 2021 aanslagen ib/pvv op met aanzienlijke box 3-grondslagen. Na bezwaar vermindert de inspecteur de aanslag 2020 met toepassing van het kerstarrest. Voor 2021 legt de inspecteur in beroep een verminderingsaanslag op, omdat het heffingvrij vermogen aanvankelijk maar één keer is toegepast. De man stelt dat na het kerstarrest geen wettelijke grondslag meer bestaat voor box 3 en dat de Wet rechtsherstel box 3 geen terugwerkende kracht kan hebben. Ook meent hij dat bij het werkelijke rendement geen rekening mag worden gehouden met ongerealiseerde waardestijgingen.
Wettelijke grondslag en rechtsherstel
De rechtbank verwerpt het standpunt dat artikel 5.1 en 5.2 Wet IB 2001 buiten toepassing moeten blijven. Volgens de rechtbank volgt uit het kerstarrest alleen dat rechtsherstel moet worden geboden als het forfaitair rendement hoger is dan het werkelijke rendement. De Wet rechtsherstel box 3 voorziet daarin en mag met terugwerkende kracht tot 1 januari 2017 worden toegepast. Van strijd met de Grondwet is geen sprake.
Werkelijk rendement inclusief depotwinsten
Voor de jaren 2020 en 2021 vult de man formulieren ‘Opgaaf werkelijk rendement’ (OWR) in. Daarbij laat hij ongerealiseerde vermogenswinsten buiten beschouwing. Volgens de inspecteur gaat het onder meer om vermogenswinsten op effectendepots en om het gerealiseerde én ongerealiseerde rendement bij overdracht van een zakelijk effectendepot naar privé.
De rechtbank sluit aan bij de arresten van de Hoge Raad van 6 juni 2024 en oordeelt dat het werkelijke rendement ook positieve en negatieve waardeveranderingen van box 3-bezittingen omvat, ook als deze nog niet zijn gerealiseerd. Door deze ongerealiseerde waardestijgingen buiten beschouwing te laten, hanteert de man een onjuiste rechtsopvatting en maakt hij niet aannemelijk dat zijn werkelijke rendement lager is dan het forfaitaire rendement.
Het beroep over 2020 is ongegrond. Het beroep over 2021 is formeel gegrond vanwege de al opgelegde verminderingsaanslag, maar de box 3-heffing blijft ook voor dat jaar inhoudelijk in stand. Het verplichte fiscaal partnerschap is volgens de rechtbank niet in strijd met artikel 1 EP, artikel 8 of artikel 14 EVRM.
Wet: art. 5.1 en 5.2 Wet IB 2001, art. 5a AWR, art. 1 EP EVRM, art. 8 en art. 14 EVRM
Bron: Rechtbank Noord-Nederland, 05-02-2026, ECLI:NL:RBNNE:2026:364, LEE 23/3521 en LEE 23/4639 | NDFR





Geef een reactie