Rechtbank Noord-Nederland oordeelt dat de schenking van aandelen ter waarde van € 7,8 miljoen euro aan een directeur geen loon vormt. De inspecteur maakt niet aannemelijk dat het voordeel is verstrekt door of voor rekening van de werkgever.
Een man werkt sinds 2007 onafgebroken voor een concern en bekleedt ten tijde van de schenking de functie van directeur. De enig aandeelhouder van de houdstervennootschap schenkt op 17 juni 2022 alle aandelen aan de directeur. De schenking vindt plaats onder ontbindende voorwaarden en met een doorgeefverplichting: de directeur is verplicht de aandelen te zijner tijd om niet door te leveren aan zijn eigen opvolger(s). De inspecteur merkt de waarde van de aandelen aan als loon uit dienstbetrekking en legt een aanslag IB/PVV 2022 op naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van ruim € 8 miljoen. In geschil is of de schenking terecht als loon is belast.
Causaal verband met dienstbetrekking is onvoldoende
Rechtbank Noord-Nederland oordeelt dat de inspecteur niet aannemelijk heeft gemaakt dat de schenking loon vormt. De rechtbank stelt voorop dat de aandelen behoorden tot het privévermogen van de schenker en niet tot dat van de werkgever. Gesteld noch gebleken is dat de schenker door de werkgever is gecompenseerd voor zijn verarming. Een louter causaal verband tussen de schenking en de dienstbetrekking is onvoldoende om van loon te kunnen spreken. Uit de getuigenverklaringen van de schenker leidt de rechtbank af dat zijn overheersende motief was gelegen in de wens de continuïteit en zelfstandigheid van het meer dan honderd jaar oude familiebedrijf te waarborgen — en daarmee in zijn hoedanigheid van aandeelhouder, niet als werkgever.
Geen loon van derden en geen fooi
Ook de subsidiaire stelling van de inspecteur dat sprake is van loon van derden slaagt niet. Daarvoor is vereist dat het voordeel is verstrekt in opdracht van en voor rekening van de werkgever, of — bij concernverhoudingen — dat de kosten op concernniveau worden gedragen. De schenker is een natuurlijk persoon en het concern heeft geen financiële bemoeienis gehad met de schenking. De rechtbank weigert de concernregel verder op te rekken door een aandeelhouder-natuurlijk persoon als concernmaatschappij aan te merken. Ten slotte is ook geen sprake van een fooi of soortgelijke prestatie van een derde, omdat de inspecteur niet aannemelijk heeft gemaakt dat de schenking een vergoeding vormde voor door de directeur verrichte werkzaamheden. Het beroep is gegrond en de aanslag wordt vastgesteld overeenkomstig de ingediende aangifte.
Wet: art. 10 Wet LB 1964 en art. 3.81 Wet IB 2001
Bron: Rechtbank Noord-Nederland, 29-01-2026, ECLI:NL:RBNNE:2026:213, LEE 25/412 | NDFR





Geef een reactie